taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 23 | Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2009)


Bijdrage: Naar een referentieniveau Nederlandse taal voor het primair onderwijs (Harry Paus & Anita Oosterloo)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

1

1. Basisonderwijs

Niveau 1F   Niveau 1S / 2F

 

A Teksten   Tekstsoorten   Eenvoudige informatieve teksten (waar onder zaakvakteksten, naslagwerken, internetteksten en schematische overzichten); eenvoudige instructieve en betogende teksten uit boeken (waaronder de taal- en zaakvakmethodes), maar ook advertenties, huis-aan-huisbladen of het algemene nieuws in de krant; verhalende teksten (zie fictie).

Informatieve teksten, waaronder schoolboek en studieteksten (voor taal en zaakvakken), standaardformulieren, tijdschriften, teksten van internet, notities en schematische

informatie (waarin verschillende dimensies gecombineerd worden). Instructieve en betogende teksten, vaak redundante teksten, waaronder reclameteksten, advertenties, folders, recepten, het alledaagse nieuws in de krant, maar ook brochures van formele instanties, of lichte opiniërende artikelen uit tijdschriften. Verhalende teksten (zie fictie).

 

Tekstkenmerken

De teksten zijn eenvoudig van structuur; de informatie is herkenbaar geordend. De teksten hebben een lage informatiedichtheid; belangrijke informatie is gemarkeerd of wordt herhaald. Er wordt niet te veel (nieuwe) informatie gelijktijdig geïntroduceerd. De teksten bestaan voornamelijk uit frequent gebruikte (of voor de leerlingen alledaagse) woorden.

De teksten hebben een heldere structuur. Verbanden in de tekst worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben overwegend een lage informatiedichtheid.

 

B Kenmerken van de taakuitvoering

Techniek en woordenschat

Kan teksten zodanig vloeiend lezen dat woordherkenning tekstbegrip niet in de weg staat. Kent de meeste alledaagse (frequente) woorden, of kan de betekenis van een enkel onbekend woord uit de context halen.

Op dit niveau is woordenschat geen onderscheidend kenmerk van leerlingen meer. De woordenschat van leerlingen is voldoende, om teksten te lezen, en wanneer nodig kan de betekenis van onbekende woorden uit de vorm, de samenstelling of de context afgeleid worden.

 

Begrijpen en interpreteren

Herkent specifieke informatie, wanneer naar één expliciet genoemde informatieeenheid gevraagd wordt (letterlijk begrip).

 

Kan informatie en meningen interpreteren voor zover deze dicht bij de leerling staan. Legt relaties tussen tekstuele informatie en meer algemene kennis.

Kan de hoofdgedachte van de tekst weergeven. Maakt onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. Legt relaties tussen tekstdelen (inleiding, kern, slot) en teksten. Ordent informatie (bijvoorbeeld op basis van signaalwoorden) voor een beter begrip. Herkent beeldspraak (letterlijk en figuurlijk taalgebruik).

 

Legt relaties tussen tekstuele informatie en meer algemene kennis. Kan de bedoeling van tekstgedeeltes en/of specifieke formuleringen duiden. Kan de bedoeling van de schrijver verwoorden.

Evalueren/   Kan een oordeel over een tekst(deel)   Kan relaties tussen en binnen teksten

reflecteren   verwoorden.   evalueren en beoordelen.

Samenvatten   Kan een eenvoudige tekst beknopt samenvatten.

 

Opzoeken   Kan informatie opzoeken in duidelijk geordende naslagwerken, zoals woordenboeken, telefoongids e.d. kan schematische informatie lezen en relaties met de tekst expliciteren.

Kan systematisch informatie zoeken (op bv. internet of de schoolbibliotheek) bijvoorbeeld op basis van trefwoorden.

(Bron: Over de drempels met taal 2008: 39-40)

11

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties