taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 23 | Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2009)


Bijdrage: Literair lezen in de klas. Een gesprek met leraren en lezers over het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen (Steven Vanhooren & Martijn Nicolaas)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

6. Literatuur

hand genomen hebben. Bovendien is in Vlaanderen slechts een kwart van de bevolking lid van een openbare bibliotheek. Dergelijk vaststellingen wijzen op ontlezing in Nederland en Vlaanderen.

Daartegenover staan de inzichten uit onderzoek waarin wordt aangetoond dat een groot deel van de Vlaamse en Nederlandse bevolking nog steeds geregeld literaire teksten leest. Teksten die niet per definitie in boekvorm worden gepubliceerd, maar hun weg naar de lezer vinden via het stripverhaal, de blog, de wiki, de videogame, de i-pod, de kindle, etc. (zie o.a. Soetaert 2006 ; Gillieron & Kilgariff 2007 ; Wolk 2007 ; Rutten, Vanhooren & Vanbrabant 2008). Uit dat onderzoek blijkt dat de literaire cultuur en de literaire lezer helemaal niet aan het verdwijnen zijn, maar integendeel aan een heuse opmars bezig zijn. Door recente ontwikkelingen in de digitale cultuur ontstaan nieuwe (literaire) genres en krijgt een steeds grotere groep mensen toegang tot een steeds ruimer aanbod van literaire teksten (zie o.a. De Wit & Esmans 2006 ; Soetaert 2007). Ook – en vooral – jongeren blijken toegang tot het ruime aanbod te hebben en maken er bovendien gretig gebruik van. Onder andere Van den Acker (2007) toonde in haar onderzoek aan dat 4 op 5 jongeren tussen 14 en 21 jaar wekelijks leest, waarvan een derde zelfs dagelijks. Hierbij gaat het zowel om krantenartikelen, bijdragen in tijdschriften als om literaire teksten (in alle mogelijke – inclusief digitale – vormen).

De tegenstrijdige berichten over het literaire lezen blijken in grote mate toegeschreven te kunnen worden aan de verschillende invullingen van het concept literatuur en aan de literair-esthetische waardering ervan. Terwijl literatuur in sommige onderzoeken opgevat wordt als verhalen die in boekvorm verschijnen, wordt het in ander onderzoek ruimer geïnterpreteerd als zijnde verhalen die door verschillende media – van boek tot blog en van wiki tot videogame – gedragen kunnen worden.

Niet enkel het literaire lezen, maar ook het onderwijs in het literaire lezen staat ter discussie. Leraren en docenten klagen over een tekort aan tijd ten voordele van wetenschappelijke vakken en wiskunde en over een gebrek aan belangstelling van hun leerlingen. Manguél (2005) schrijft dat laatste toe aan het feit dat lezen een langzame, moeilijke daad is die geen geld oplevert, terwijl de samenleving juist snelheid, eenvoud en boven alles geld verdienen waardeert. Hij stelt dan ook dat het niet eenvoudig is om jongeren te motiveren om te lezen, als alles in hun omgeving daartegen pleit. Hoewel de klacht van een gebrek aan interesse haaks staat op de resultaten uit het onderzoek van Van den Acker, blijkt uit de vele verhalen uit het onderwijsveld dat er wel degelijk iets aan de hand is met het hedendaagse literatuuronderwijs.

Volgens Van de Ven (1996) is het zo dat wanneer er iets schort aan het literatuuronderwijs, de oplossingen meestal aangereikt worden vanuit de wetenschappen. In het beste geval worden die volgens hem ter harte genomen door instanties die op macroniveau opereren en verandert de retoriek. De praktijk daarentegen blijft onveranderd. De oorzaak hiervan kan gezocht worden in de moeizame vertaling van beslissingen op beleidsniveau naar de onderwijspraktijk. Dit, omdat beleidsbeslissingen niet altijd even eenvoudig implementeerbaar zijn en omdat leraren en docenten lang niet van

6

219

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties