Doorzoek alle bundels


Bundel 23 | Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2009)

Bijdrage: Literair lezen in de klas. Een gesprek met leraren en lezers over het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen (Steven Vanhooren & Martijn Nicolaas)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

DRIEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

alles wat op macroniveau wordt voorgeschreven en aangeboden op de hoogte zijn. Bijgevolg blijven leraren en docenten, ondanks vernieuwingstendensen, worstelen met de aanhoudende problemen.

Om hier gedeeltelijk aan tegemoet te komen, publiceerde de Nederlandse Taalunie in 2008 het rapport Het Literatuuronderwijs in Nederland van Vlaanderen. Een stand van zaken. Het doel van het rapport was enerzijds om een beeld te krijgen van hoe de literaire vorming in Nederland en Vlaanderen in het voortgezet en het secundair onderwijs op macroniveau wordt vormgegeven en anderzijds om Vlamingen en Nederlanders te informeren over het eigen en elkaars literatuuronderwijs.

Uit het rapport bleek dat er op macroniveau een aantal opvallende verschillen zijn tussen Nederland en Vlaanderen inzake het literatuuronderwijs, die zich in grote lijnen vertalen in meer vrijheid voor de Nederlandse literatuurdocent in vergelijking met de Vlaamse literatuurleraar (zie hiervoor ook: Vanhooren & Mottart 2009 ; Nicolaas 2009). Die grotere vrijheid kan onder andere worden toegeschreven aan de specifieke organisatie van het onderwijs in beide delen van het taalgebied. Immers, terwijl het secundair onderwijs (Vlaanderen) is opgebouwd uit drie graden waarvoor aparte eindtermen (en/of ontwikkelingsdoelen) zijn geformuleerd, wordt in het voortgezet onderwijs (Nederland) enkel de bovenbouw en de onderbouw onderscheiden. Dat maakt dat het onderwijs (en dus ook het literatuuronderwijs) in Vlaanderen een meer stapsgewijze opbouw kent, waardoor theoretisch gezien meer controlemomenten mogelijk zijn. Ook met betrekking tot het curriculum zijn er belangrijke verschillen. Hoewel het formele curriculum in grote lijnen gelijk is (in zowel Vlaanderen als in Nederland formuleert de overheid eindtermen / kern- en ontwikkelingsdoelen die bindend zijn), zijn er wat betreft het ideologische curriculum opmerkelijke verschillen. In Vlaanderen worden de eindtermen namelijk ‘vertaald’ in leerplannen (opgesteld door de inrichtende macht van een school die vaak verenigd is met andere inrichtende machten in een koepelorganisatie) die in grote lijnen bindend zijn en goedgekeurd moeten worden door de inspectie. In Nederland is die vertaling er niet en moet de docent in principe zelf aan de slag met de eindtermen. In praktijk maakt hij echter vaak gebruik van een methode die is opgesteld conform de eindtermen. Het moet gezegd dat de verschillen op macroniveau ondergeschikt zijn aan het gemeenschappelijke doel van de Vlaamse en de Nederlandse literaire vorming, met name het vormen van literair competente lezers.

Of en op welke manier de gelijkenissen en de verschillen zich laten gevoelen in de onderwijspraktijk is tot op vandaag nog onvoldoende onderzocht. Tijdens onze workshop wensen we, na een korte introductie van het rapport, een gesprek aan te gaan met de deelnemers over hoe het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen in de klas wordt vormgegeven. Van welke didactieken wordt gebruik gemaakt? Welke leermiddelen worden gebruikt? Wat wordt gelezen? Hoe worden literaire competenties geëvalueerd? Etc.

220