Doorzoek alle bundels


Bundel 23 | Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2009)

Bijdrage: Het menselijk taalvermogen (Jan Koster)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

7. Taal- en letterkunde

nog ontwikkeling is. Uitzondering hierop zijn de stilistische vaardigheid en de groei van de woordenschat, die het hele leven doorgaan.

Het feit dat de taalontwikkeling overal ter wereld ongeveer volgens de genoemde lijnen verloopt, wordt gezien als een argument voor de hechte biologische verankering van taal.

Een derde serie argumenten voor de biologische basis van taal wordt gevormd door de rechtstreekse studie van de menselijke hersenen. Reeds in de 19e eeuw werd uitvoerig beschreven hoe bepaalde hersendelen verbonden zijn met de taal. Verstoorde taalpatronen als gevolg van hersenbeschadiging noemt men ‘afasieën’. De belangrijkste met taal verbonden gebieden bevinden zich in de linker hersenhelft: het gebied van Broca (links voor) en het gebied van Wernicke (ongeveer boven het oor). Bij een afasie van Broca is de spraak zeer moeizaam. Het gaat in fragmenten vaak, en met horten en stoten. Taalfuncties, zoals betekenisvol communiceren zijn in principe nog intact. Bij een afasie van Wernicke zie je min of meer het omgekeerde: de spraak is meestal vloeiend, hoewel zinnen vaak ontsporen en in elkaar overlopen. De samenhang met betekenis en verwijzing is echter grotendeels verstoord. Omdat de genoemde afasieën een vaste relatie hebben met de genoemde hersengebieden, neemt men aan dat die gebieden bijzonder belang hebben voor ons taalvermogen, hoewel is aangetoond dat ook andere functies, zoals het produceren van muziek, gebruikmaken van bijvoorbeeld het gebied van Broca.

Tegenwoordig zijn er zogenoemde neuro-imaging-technieken, waarmee rechtstreekse waarnemingen gedaan kunnen worden van hersenfuncties. De belangrijkste technieken zijn ERP (= event related potentials) en fMRI (functional magnetic resonance imaging). Bij de ERP-techniek worden de door hersenprocessen veroorzaakte elektrische stroompjes gemeten die aan het schedeloppervlak optreden. Proefpersonen dragen hierbij een soort badmuts die bijvoorbeeld 64 elektroden bevat, waarmee de elektrische gebeurtenissen in kaart worden gebracht. Door de proefpersoon bepaalde taken te laten verrichten, kunnen elektrische patronen zichtbaar gemaakt worden die met die taken samenhangen.

fMRI berust op het principe dat de doorbloeding het grootst is van de hersengebieden die actief zijn bij een bepaalde taak. Die patronen kunnen met de computer zichtbaar gemaakt worden door de hersenen in een sterk magneetveld te plaatsen.

Ook uit de neuro-imagingtechnieken is gebleken dat zeer specifieke hersengebieden bij de taal betrokken zijn, mat name in de linker hersenhelft.

Ik wil nu tot slot enige illustraties geven van de aan het begin genoemde universele eigenschappen van de menselijke taal. De meest fundamentele structurele eigenschap-

7

245