taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 23 | Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2009)


Bijdrage: WelgeZINd? De eerste stelproducten van jonge Nt2-leerlingen (Lieve Verheyden)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

DRIEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

seren door extra ondersteuning van de zwakste groepen. De vorige minister van onderwijs drukte die visie gebald uit in: “Goed voor sterk, sterk voor zwak”.

De resultaten reveleren dat de sterke starters gemiddeld geen leerwinst boeken, uitgezonderd voor accuraatheid (spelling en zin). In combinatie met negatieve correlaties tussen leerwinst voor dit soort accuraatheid, enerzijds, en leerwinst voor complexiteit en inhoudelijke precisie, anderzijds, kunnen we ons voorzichtig afvragen of het schrijfonderwijs in die klasgroepen wel voldoende afgestemd werd op de waaier aan groeimogelijkheden van de sterke starters. Daarnaast blijkt dat de zwakke starters voor de meeste tekstkenmerken meer vooruitgang boeken dan gemiddeld, waardoor de kloof met de sterke starters verkleint of zelfs verdwijnt. Dwars door de indeling op basis van startprestaties loopt het onderscheid tussen de teksten van jongens en meisjes. Uit onze resultaten blijkt dat jongens in beide leerjaren voor de meeste kenmerken met een significante achterstand starten, maar dat ze evenveel leerwinst boeken als de meisjes. De kloof tussen beide seksen wordt dus niet gedicht. Hierop stellen we echter een intrigerende “dubbele” uitzondering vast, met name op zinsniveau: bovenop het feit dat het de jongens in het vierde leerjaar lukt om bij de start even complexe zinnen te produceren als de meisjes en vervolgens ook evenveel leerwinst te boeken, slagen ze er ook in om de kloof qua accuraatheid van de zin stevig te dichten, en dat ondanks de toegenomen zinscomplexiteit. Die vaststelling sluit aan bij Jones & Myhill (2007), die in teksten van jongens een grotere zinscomplexiteit aantreffen, wat zij interpreteren als een teken van matuurder schrijverschap.

4. Groeiend schrijverschap: de zin als scharnier

In Myhill (2009) wordt vastgesteld dat het verschil tussen betere en zwakkere schrijvers op 3 onderscheiden continua gesitueerd kan worden, namelijk het continuüm ‘spreektaal-schrijftaal’, het continuüm ‘melden – uitdiepen’ en het continuüm ‘onverwerkt – bewerkt’. Aan elk van de continua koppelt de auteur concrete kenmerken op zinsniveau. Dat is niet verwonderlijk, gezien de centrale rol van ‘de zin’ bij het ontluikend stellen (Kress 1994 ; van de Gein 1991):

  • spreektaal-schrijftaal: jonge schrijvers moeten ondervinden dat schrijven niet gereduceerd kan worden tot “spreken in letters op papier”. Zo moeten ze leren vermijden om zinnen met een nevenschikkend voegwoord of een bijwoord te laten beginnen: ‘en’, ‘en toen’, ‘toen’, ‘en dan’, ‘dan’, enz.;

  • melden-uitdiepen: de ‘dichtheid’ van geschreven taal is groter dan die van gesproken taal: met minder woorden moet meer gezegd kunnen worden. Onderzoek toont aan dat het aantal woorden rond een vervoegd werkwoord (alias het aantal woorden per “clause”) een goede indicator is;

  • onverwerkt-bewerkt: mature schrijvers vertonen variatie in de bouw van hun zinnen. In een voortdurende wisselwerking tussen wat ze willen zeggen en de manier

6

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties