Doorzoek alle bundels


Bundel 23 | Drieëntwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2009)

Bijdrage: Naar een referentieniveau Nederlandse taal voor het primair onderwijs (Harry Paus & Anita Oosterloo)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

DRIEËNTWINTIGSTE CONFERENTIE HET SCHOOLVAK NEDERLANDS

Ronde 2

Harry Paus & Anita Oosterloo SLO, Enschede

Contact: H.Paus@slo.nl

A.Oosterloo@slo.nl

Naar een referentieniveau Nederlandse taal voor het primair onderwijs

  1. Inleiding

De commissie Meijerink heeft in haar deelrapport Over de drempels met taal (2008) aangegeven welk niveau kinderen aan het einde van de basisonderwijs voor de Nederlandse taal bereikt moeten hebben. Hoe ziet die niveaubeschrijving eruit? En hoe kan een school greep krijgen op de beschrijving?

  1. Doorlopende leerlijnen taal

In januari 2008 bood de Expertgroep ‘Doorlopende leerlijnen taal en rekenen’ haar rapport Over de drempels met taal en rekenen aan aan de minister en staatssecretarissen van OCW. Het draagvlak voor de referentieniveaus lijkt groot en er mag worden verwacht dat de overheid ze op niet al te lange termijn gaat invoeren. Scholen krijgen dan een soort meetlat, waarlangs de prestaties van de leerlingen gelegd kunnen worden.

Aanleiding tot het opstellen van de referentieniveaus was in eerste instantie het te lage reken- en taalniveau van instromende studenten op de opleiding tot leraar basisonderwijs. Dat leidde tot maatschappelijke en politieke aandacht en het werd vervolgens opgevat als een symptoom van een veel breder probleem: veel leerlingen in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) zouden een te laag taal-en rekenniveau hebben, waardoor ze problemen ondervinden bij de doorstroming naar vervolgopleidingen en de arbeidsmarkt. Daarom zijn er niveaubeschrijvingen bepaald voor taal en rekenen die gekoppeld zijn aan overgangen in het onderwijssysteem: drempelniveaus of drempels genoemd. Door de drempelniveaus weet de ‘aanleverende’ instelling wat leerlingen in de ‘ontvangende’ instelling nodig hebben en heeft de ‘ontvangende’ instelling weet van welke kennis en vaardigheden de leerlingen intussen verworven hebben. Hebben leerlingen minimaal het drempelniveau, dan zullen ze bij de overgang naar een vervolgopleiding geen problemen ondervinden, zo is de redenering.

8