Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Tegen het leed dat grammatica heet (Peter-Arno Coppen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Subplenaire lezingen

elkaar zit. Daaruit blijkt dat we heel veel nog niet weten en dat we over wat we wel weten ook niet al te zeker zijn. Hoe lastig soms ook (en het werk is zeker niet over de gehele breedte onleesbaar), de ANS geeft snel een indruk van de rijkdom en de rommeligheid van de taal en de onvolkomenheid van onze kennis daarover. Daarbovenop brengt de ANS in de meeste taalnormkwesties flinke nuanceringen aan. Veel concretere, officiële taaladviezen (zoals die op taaladvies.net, onzetaal.nl/adviesen Renkema’s Schrijfwijzer) zijn gebaseerd op de ANS en verwijzen daar ook naar. Dus, zelfs vanuit taalnormkwesties is het maar een kleine stap naar de beschrijving in de spraakkunst. Met name in de bovenbouw van havo/vwo kan die stap aanleiding zijn tot een meer reflectieve, kritische houding ten aanzien van de taalnorm.

Maar ook voor de klassieke grammaticale analyse is de stap naar de ANS zinvol. Boven betoogde ik al dat een probleem voor de didactiek is dat ze de suggestie wekt dat elk grammaticaal analytisch probleem een eenduidige oplossing heeft. Één blik in de ANS volstaat om die suggestie te weerleggen.

Voor de differentiatie in het grammaticaonderwijs, met name voor de excellente leerlingen, is de ANS een logische stap: het werk is opgezet voor de niet-taalkundig geschoolde taalgebruiker en kan daarom een brugfunctie vervullen tussen het schoolvak en de wetenschap. Waar de gemiddelde leerling in de bovenbouw wellicht kan volstaan met de officiële taaladviezen, kunnen de slimmere of geïnteresseerde leerlingen bij de ANS terecht voor informatie over de achtergrond van zo’n advies. Maar dan moeten ze daar wel op gewezen worden of voor worden geïnteresseerd.

Op die manier levert de ANS ook aanknopingspunten voor een doorlopende aandacht voor de grammatica. Wanneer al in een vroeg stadium wordt begonnen met het zo nu en dan aan de orde stellen van passages uit de ANS, kan daarvan in latere fasen geprofiteerd worden doordat die passages en het taalgebruik in de methode daarin al vertrouwd overkomen. Dat laatste lijkt me overigens ook nuttig in het kader van een bredere genre-didactiek, waarbij leerlingen, in het kader van het leesvaardigheidsonderwijs, vertrouwd moeten raken met teksten van verschillende genres. Het vertrouwd raken met teksten waarin grammaticale beschrijvingen worden gegeven, ontbreekt tot nu toe in de bestaande methodes, maar als dat ergens past, is het in het schoolvak Nederlands.

4. Deel ‘t leed

De voordelen liggen voor de hand, maar de manier waarop die bereikt kunnen worden, is minder duidelijk. Mijn ideeën daarover sluiten aan op een beproefde methode bij de behandeling van leed in het algemeen: leed moet je delen. De aangewezen methode om iets van de grond te krijgen, lijkt mij, is om zogeheten Docent Ontwikkel

XXXVI I