Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Tegen het leed dat grammatica heet (Peter-Arno Coppen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Subplenaire lezingen

cussie vatbaar is. Grammaticale analyse valt daarmee onder de zogeheten messy problems, waar een didactiek bij past die gericht is op de ontwikkeling van het critical thinking. Dat is het leed van de didactiek. Een didactiek die de suggestie wekt dat elke zin in de taal een eenduidige ontleding heeft, kan niet anders dan tot frustratie leiden, zowel bij de leerling als bij de docent. Wil je in de klas iets doen aan grammaticale analyse (of dat nu in de vorm van de klassieke zinsontleding of op een andere manier is), dan zul je een didactiek moeten kiezen die dat erkent. Concreet betekent dat dat je de onzekerheid van de analyse in de klas moet toelaten en de leerlingen moet toerusten met middelen om met die onzekerheid om te gaan. Met name in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) is in dat verband een gelukkige bijkomstigheid dat het kritisch denken en het leren om vragen te stellen, gezien worden als academische vaardigheden die niet genoeg geoefend kunnen worden (Moesker & Das 2010).

In aansluiting hierop kan geconstateerd worden dat er in het huidige grammaticaonderwijs vrijwel geen aandacht wordt besteed aan ‘hogere orde-concepten’, zoals ‘predicatie’, ‘valentie’, ‘modaliteit’ of ‘congruentie’. In plaats daarvan gaat het over ‘lagere orde-concepten’ zoals ‘persoonsvorm’, ‘onderwerp’, ‘lijdend voorwerp’, ‘voorzetsel’ of ‘lidwoord’. Het nadeel daarvan is dat dit niet kan leiden tot een fundamenteel begrip van taal, maar alleen oppervlakkige oplossingen biedt voor ontleedvragen. In recent onderzoek naar andere schoolvakken (bijvoorbeeld Havekes e.a. 2012) wordt aangenomen dat goed begrip van hogere orde-concepten eigenlijk noodzakelijk is om lagere orde-concepten te leren beheersen.

Een tweede aspect van het leed is het gebrek aan differentiatiemogelijkheden in het grammaticaonderwijs. Meestal is er een vaste methode die bestaat uit een stappenplan en een aantal vuistregels voor de benoeming en vooral uit een heleboel oefeningen. Voor zover er differentiatie is, bestaat die uit het geven van extra oefeningen voor de leerlingen die het allemaal niet zo kunnen bijbenen. Met name ontbreken de mogelijkheden om de excellente leerlingen op grammaticaal gebied uit te dagen. Leerlingen die ‘het trucje doorhebben’, worden vooral niet meer aan het twijfelen gebracht of op een andere manier gestimuleerd om verder na te denken. Althans, daarvoor ontbreekt het in de schoolmethodes aan materiaal (er zullen natuurlijk best docenten zijn die de uitzondering op de regel vormen).

Een derde leed in het grammaticaonderwijs is het ontbreken van een doorlopende leerlijn die het gehele curriculum overspant. In Nederland wordt het grammaticaonderwijs in de vorm van de traditionele zinsontleding in de eerste twee à drie jaren van het voortgezet onderwijs afgewerkt (en voor een deel in het primair onderwijs). Verdere aandacht voor grammatica is incidenteel, meestal aan de hand van taalnormkwesties bij het schrijfvaardigheidsonderwijs. Voor het vwo zijn er een aantal schoolmethodes die een meer structurele aandacht voor taalkunde (of taalbeschouwing) nastreven, maar die worden niet algemeen toegepast en vaak hebben ze minder met grammatica-

XXXV