Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Prentenboeken lezen als literatuur. Literaire competentie in de kleuterklas (Coosje van der Pol)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

1. Basisonderwijs

1

3. Literatuurlessen in het kleuteronderwijs?

Er zijn verschillende redenen om al in de kleuterklas aandacht te besteden aan literaire competentie. Aandacht voor literaire competentie sluit aan bij het onderdeel ‘verhaalbegrip’ uit de tussendoelen voor ‘Beginnende Geletterdheid’ en bij de beleidsnotitie ‘De Doorgaande Leeslijn 0-18 jaar’ van Stichting Lezen (Van Dormolen e.a. 2005). Hierin staat onder meer dat kleuters bekend moeten raken met het feit dat een verhaal meestal begint met een situatieschets die informatie geeft over de hoofdpersonen en plaats en tijd van handeling, en dat kinderen vertrouwd moeten worden met stijlfiguren zoals ironie. De kleuterleeftijd is bovendien geschikt om aandacht te besteden aan literaire competentie, omdat kleuters vooral worden voorgelezen uit prentenboeken. Dat genre kent doorgaans een rijk of poëtisch taalgebruik en relatief complexe verhaalstructuren en is daardoor, in literair opzicht, interessanter en uitdagender dan de eerste leesboeken die kinderen lezen vanaf groep 3. Doordat in prentenboeken tekst en beeld meestal complementair zijn (het beeld laat zien wat de tekst niet vertelt en andersom), zijn ze cognitief uitdagend. Illustraties kunnen daarnaast voor kleuters ingewikkelde elementen van de verhaalbouw, zoals ‘perspectief’ en ‘tijd’, aanschouwelijk maken. Een prentenboek nodigt dan ook uit tot een aandachtige leeshouding en tot reflectie over hoe verhalen werken. Daar komt nog bij dat kleuters klassikaal worden voorgelezen, wat kan zorgen voor stimulerende interacties tussen kinderen en de leerkracht en tussen kinderen onderling.

Vroege aandacht voor literaire competentie roept de vraag op of al in de kleuterklassen met literatuuronderwijs moet worden begonnen. Dat hoeft eigenlijk niet, want net zoals kleuters nog geen formeel leesonderwijs krijgen, maar wel bezig zijn met ‘beginnende geletterdheid’, kan men spreken van ‘beginnende literaire competentie’. Enkele uitgangspunten van beginnende geletterdheid zijn immers tevens van toepassing op vroege literaire competentie. Net zoals jonge kinderen al ideeën ontwikkelen over lezen en schrijven, weten kleuters vaak ook al het een en ander over hoe verhalen werken. Die kennis ontwikkelen ze niet enkel via het voorlezen of via zelf ‘lezen’, maar ook door het bekijken van (teken)films (van der Pol 2009). We kunnen het literaire lezen dus benaderen vanuit een ontwikkelingsperspectief en vertrekken vanuit wat kinderen al weten over verhalen, in plaats van technische leesvaardigheid als voorwaarde te hanteren. Het vroege literaire lezen kan dus vorm krijgen via uitdagende opdrachten en verlangt geen formele didactiek of een strikte hiërarchie van ontwikkelingsfasen.

Bij beginnende geletterdheid is de ontdekking dat woorden bestaan uit letters, en zinnen uit woorden, van groot belang. Dat inzicht kan doorgetrokken worden naar de manier waarop verhalen zijn opgebouwd. Een verhaal bestaat uit kleinere elementen (zoals bijvoorbeeld ‘episodes’, ‘hoofdstukken’ en ‘illustraties’) die samen een betekenisvol geheel vormen.

Een ander inzicht van beginnende geletterdheid is dat het lezen en schrijven door kleuters niet simpelweg een imitatie van volwassenen is. Kinderen die literatuur lezen, zijn

15