Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: De mythe van de leesbevorderaar. In hoeverre bepaalt het enthousiasme van de leerkracht de aanpak van leesbevordering in het basisonderwijs? (Marlon Ruwette)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

ZEVENENTWINTIGSTE CONFERENTIE ONDERWIJS NEDERLANDS

vroeger. Het dagelijks werk bestaat voor een steeds groter deel uit het selecteren, interpreteren en evalueren van informatie; taken die door lezen geoefend kunnen worden, zowel op school als in de vrije tijd (Raukema, Schram & Stalpers 2002). Het leesniveau van een leerling is dan ook cruciaal. Er is echter nog steeds een aanzienlijke groep leerlingen die de basisschool verlaat met een leesachterstand van meer dan twee jaar (Inspectie van het Onderwijs 2007). Daarbij komt dat Nederlandse leerlingen relatief weinig lezen (Mullis e.a. 2007) en bovendien ook laag scoren op het gebied van leesplezier (Mullis e.a. 2012).

Hoe kunnen leerkrachten lezen in de klas aantrekkelijker maken, opdat leerlingen ook thuis vaker een boek of een tijdschrift zouden pakken? Dat lukt niet louter door lees- vaardigheidsonderwijs op school. Het stimuleren van plezier in lezen wordt dan ook niet voor niets als een belangrijk onderdeel van leesbevordering op school gezien (van Schooten 2005).

Leerkrachten in het basisonderwijs hebben een aanbodverplichting als het gaat om het uitvoeren van leesbevorderende activiteiten. Dat is vastgelegd in de kerndoelen. Zo is het hun taak om leerlingen kennis te laten maken met verschillende genres, schrijvers en tekstsoorten en daarnaast om bij leerlingen het plezier in lezen te stimuleren. Leerkrachten moeten hiervoor de leesvoorkeuren van hun leerlingen kennen en een breed aanbod van fictionele en non-fictionele teksten realiseren. De vraag is, doen ze dat? En zo ja, hoe?

  1. Op zoek naar de ‘excellente’ leesbevorderaar

Tijdens deze sessie zullen we de meest opvallende zaken in de eerste peiling bespreken. Hoe nuttig, plezierig, noodzakelijk of moeilijk vinden leerkrachten het om tijd en ruimte te maken voor leesbevordering? Is het zo dat een leerkracht die het zelf leuk vindt om voor te lezen dat ook vaker doet dan een leerkracht die dat niet vindt? Biedt een leerkracht die het belang van lezen onderstreept meer verschillende soorten boeken aan in de klas dan een leerkracht die dat minder belangrijk acht?

  1. Tot slot

Het doel van de hier gerapporteerde peiling is om te bepalen welke houdingen van leerkrachten leiden tot meer leesbevordering in de klas. Door het ontrafelen van de mythe van die ene enthousiaste leerkracht van wie leesbevordering afhankelijk is, kunnen we hopelijk handvatten bieden aan basisscholen en leerkrachten om meer leerwinst te halen uit hun bezigheden ten aanzien van het stimuleren van lezen.

192