Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Een beoordelingsmodel voor het mondeling tentamen literatuur (Corien van Loenen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

ZEVENENTWINTIGSTE CONFERENTIE ONDERWIJS NEDERLANDS

ontworpen, waarin de eisen voor validiteit en betrouwbaarheid gewaarborgd zijn. Dat schema kan ingezet worden in de voorbereiding en afname van elk mondeling tentamen.

Validiteit bestaat uit meerdere elementen:

  1. inhoudsvaliditeit;

  2. cognitieve validiteit;

3. de weging van de verschillende onderdelen ten opzichte van elkaar.

Een toets is inhoudsvalide als deze een goede afspiegeling is van de voorbereide stof. De vragen moeten representatief zijn voor de behandelde stof en er moet een goede spreiding zijn over de verschillende onderdelen (Wools 2011). Bij het ontwerpen van het model is uitgegaan van de manier waarop een schriftelijke toets geconstrueerd wordt. Dat betekent dat de leerdoelen uit de eindtermen zijn omgezet in toetstermen. Toetstermen omschrijven welke inhoud en welk gedrag een leerling moet laten zien op een toets. Op basis van de toetstermen worden vragen geformuleerd. Bij één toetsterm moeten verschillende vragen gesteld kunnen worden (Teelen 2011). De toetstermen zijn uiteindelijk opgenomen in het beoordelingsmodel, zodat elke leerling aan dezelfde toetstermen voldoet, maar de docent de vrijheid heeft om verschillende vragen te stellen. Het model is verder onderverdeeld in de te toetsen domeinen. In het geval van het mondeling tentamen literatuur gaat het om ‘literatuurgeschiedenis’, ‘verhaalanalyse’ en ‘persoonlijke ontwikkeling’.

Een toets is cognitief valide als op alle cognitieve niveaus is getoetst (Wools 2011). De toetstermen moeten op een evenwichtige manier verdeeld kunnen worden over de verschillende cognitieve niveaus, passend bij het niveau van havo-5 of vwo-6 (Drost & Verra 2009). Om cognitieve validiteit te kunnen waarborgen, is gebruikgemaakt van RTTI als taxonomie. Zoals eerder gezegd, wordt er steeds meer met RTTI gewerkt als taxonomie. RTTI onderscheidt voor het middelbaar onderwijs vier cognitieve niveaus:

  1. reproductie;

  2. toepassing 1;

  3. toepassing 2;

  4. inzicht.

Reproductievragen zijn erop gericht te testen of een leerling de stof heeft geleerd. Toepassing 1-vragen zijn erop gericht te onderzoeken of een leerling het geleerde kan toepassen in een bekende situatie. Toepassing 2-vragen zijn erop gericht te onderzoeken of een leerling het geleerde kan toepassen in een nieuwe situatie. En inzichtvragen onderzoeken of een leerling zelf bekende en nieuwe zaken met elkaar in verband kan brengen (Drost & Verra 2009). In het examenjaar is het de bedoeling dat bij toetsen 30% van de te behalen punten uit R/T1-vragen komen en 70% uit T2/I-vragen.

194