Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Taal en samenleving (Joop van der Horst)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

7. Taalkunde en taalbeheersing

opnieuw een verandering plaats van de belangrijkste bouwstenen, nu van zinsdelen naar vaste verbindingen. Dat wil zeggen van elementen die functie-gebaseerd zijn naar elementen die – tsja – op wat gebaseerd zijn? Ik spreek voorlopig van ‘netwerk’-structuren, maar ben zelf niet helemaal gelukkig met deze terminologie.

Ik spreek nadrukkelijk over ‘belangrijkste bouwstenen’, want ook na Sapirs ‘drift’ en de wending naar zinsdelen, blijven de Europese talen ook wel woorden hebben (hoewel de taal zelf kennelijk in zinsdelen rekent). En ook bij de wending naar vaste verbindingen blijven er in zekere mate nog wel woorden en zinsdelen bestaan. Maar de verdere neergang van het woord is onder andere te merken aan het steeds verder verdampen van woordsoortelijke verschillen – in een taal als het Engels nog verder voortgeschreden dan in het Nederlands.

Verrassend genoeg komen we de drie stadia (‘woord’ > ‘zinsdeel’ > ‘vaste verbinding’) ook tegen in de geschiedenis van de (Westerse) taalwetenschap. Zoals bekend zijn grammatica’s tot diep in de 17de en 18de eeuw bijna exclusief woord-grammatica’s: bespreking van de woordsoorten. Zinsdeelbegrippen komen pas op vanaf de 18de eeuw, waarna vervolgens functiebegrippen volstrekt dominant worden in de linguïstiek, onder gelijktijdige marginalisering van woorden en woordsoorten. En constructies staan pas de jongste decennia in de belangstelling (Construction Grammar). De taalwetenschap volgt kennelijk de ontwikkelingen van de taal, zij het met een aanzienlijke vertraging. Dit lijkt misschien weinig opzienbarend, want bij een ander type taal hoort een ander type taalwetenschap. Maar in de linguïstiek worden de veranderingen van methode (bij mijn weten) nooit zo opgevat en altijd gezien als vooruitgang van de wetenschap.

De ontwikkeling van ‘eigenschappen’ naar ‘functies’ en vervolgens naar ‘netwerken’ heeft zelfs sterke parallellen in domeinen ver buiten de taal en de taalkunde. Dezelfde ontwikkelingen zijn namelijk aanwijsbaar in bijvoorbeeld de geschiedenis van maatschappelijke ordening (vgl. middeleeuwse standen als eigenschap, in de Renaissance vervangen door functies als belangrijkste maatschappelijke ordening; terwijl de functies in de 20ste eeuw onder druk staan van de netwerken), of de geschiedenis van het geld (gouden en zilveren munten zijn aanvankelijk zoveel waard als hun gewicht: hun waarde is dus een eigenschap; bankbiljetten daarentegen zijn intrinsiek niets waard, maar vertegenwoordigen (functie) een afgesproken waarde; giraal geld is dan weer een paar cijfers op je bankrekening: virtueel geld, netwerkgeld).

In de mate waarin deze en (vele) dergelijk parallellen hout snijden, verliest de talige ontwikkeling haar uniciteit. De taalontwikkeling is niet anders dan de zoveelste representant van een veel algemenere ontwikkeling. En dat is wat ik denk dat ze is.

7

239