Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Maak je eigen taal! (Marc van Oostendorp)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

7. Taalkunde en taalbeheersing

klanken te maken. En hun karakter kan invloed hebben op allerlei andere eigenschappen van hun taal. Wanneer ze bijvoorbeeld allemaal erg verlegen zijn, zullen ze hun best doen om hun zinnen zo kort mogelijk te maken. Zijn ze heel agressief, dan zullen ze weinig beleefdheidsformules kennen en des te meer scheldwoorden. (Meestal zal omgekeerd bij de volgende stappen ook blijken dat ideeën over hun taal uiteindelijk ook kunnen leiden tot nieuwere of preciezere ideeën over wat voor mensen het zijn.)

  1. Je lippen laten flapperen

Nadenken over de sprekers heeft ook nog een praktisch nut. Groepjes leerlingen kunnen na afloop een samenvatting maken van de taal. Die samenvatting kan de vorm hebben van een (ultrakort) klassiek ‘wat-en-hoe-gidsje’, zoals toeristen dat gebruiken wanneer ze op reis gaan naar een land waarvan ze de taal niet kennen. Dat gidsje bevat enkele belangrijke zinnetjes om te zeggen en wat verdere aanwijzingen, en al die dingen worden natuurlijk ook bepaald door wie je tegenkomt.

Het karakter van de sprekers kan ook hun klanken bepalen. Zijn ze overwegend heel saai (ik heb weleens met een groep een taal voor saaie aliens gemaakt en dat werkte heel goed), dan lijken de woorden bijna allemaal op elkaar. Er zijn dan dus maar heel weinig verschillende klanken, bijvoorbeeld alleen de klinkers ‘ie’, ‘aa’ en ‘oe’ en een handjevol medeklinkers. Een heel expressieve gemeenschap zal juist heel veel en heel bizarre klanken maken, inclusief allerlei klanken die wij niet gebruiken: smakken met je lippen, je lippen laten flapperen, met je vinger je wang laten ploppen...

Heel precies hoef je de precieze verzameling klinkers en medeklinkers in deze eerste stap niet op een rijtje te zetten. Het gaat erom dat je een algemeen idee hebt over hoe de taal klinkt, zodat je daarmee woorden kunt maken.

  1. Werkwoordsverbuiging

De eerste woorden en zinnen zijn van het soort zoals je die bij elke vreemde taal als eerste leert: “Hallo! Ik ben Marc! Ik kom uit Leiden!” Aan die drie zinnetjes valt al veel te vijlen en aan de hand ervan valt al een heleboel uit te leggen.

In de eerste plaats het equivalent ‘Hallo!’ Is dat een beleefd woord of niet? Maakt de taal verschil tussen beleefde en onbeleefde vormen (dat hangt van het karakter van de sprekers af), en zo ja, hoeveel verschil maakt het daar dan in? Ook over de vorm van ‘hallo’ moet je goed nadenken. Zo moet je dat woord waarschijnlijk heel vaak zeggen, en dus kan het beter niet al te lang zijn.

Met het zinnetje ‘Ik ben Marc’ begin je na te denken over werkwoordsverbuiging. Hoe zeg je ‘jij bent Marc’, ‘hij is Marc’, ‘wij zijn Marc’? Heeft dat alleen een ander woord voor ‘ik’ en ‘jij’, of gebeurt er ook iets met het werkwoord? Of (voor wat meer gemotiveerde en gevorderde leerlingen) laat je ‘ik’ en ‘jij’ zelfs helemaal weg en druk je het

7

 

245