Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Anderstalige nieuwkomers: ook een Brusselse uitdaging! (Sophie Ghesquiere & Goele Mahieu)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

ZEVENENTWINTIGSTE CONFERENTIE ONDERWIJS NEDERLANDS

Taalleerders moeten iets nieuws kunnen leren van elke taak die ze uitvoeren. De taak moet hen in een gebruikssituatie plaatsen waarmee ze nog niet veel ervaring hebben opgedaan en waardoor ze hun taalvaardigheid kunnen uitbreiden. Vaak zal de kloof tussen de verwachtingen en de reeds verworven taalvaardigheid van anderstalige nieuwkomers te groot zijn. Om de nieuwkomer toch zoveel mogelijk aanknopingspunten te geven om de taal te leren, is het belangrijk om het taalaanbod zoveel mogelijk te structureren door rekening te houden met een aantal grote ‘lijnen’. Schematisch zien die lijnen er als volgt uit:

 

Begin

Midden

Gevorderd

1

receptief

ook productief
(verstaanbaar is voldoende)

productief
vormelijke correctheid

2

mondeling

ook schriftelijk
(verstaanbaar is voldoende)

schriftelijk
vormelijke correctheid

3

onderwerp hier en nu

onderwerp daar en toen

onderwerp
abstract

4

onderwerp
bekend

onderwerp
minder bekend

onderwerp onbekend

5

veel context (visueel; talig)

weinig context

geen context

6

taak op beschrijvend
niveau

taak op
structurerend niveau

taak op evaluerend
niveau

Tabel 1: Structureren van taalaanbod.

  1. Om op school mee te kunnen, is vooral het begrijpen van de taal van groot belang (en in mindere mate het zelf produceren van taal). Wanneer een anderstalige nieuwkomer ook op school taal begint te produceren, gaat het in de eerste plaats om communicatie. Pas in een veel later stadium krijgt de ‘vormelijke correctheid’ aandacht.

  2. In eerste instantie primeert het mondelinge taalgebruik op het schriftelijke. Het heeft immers pas zin om een anderstalige nieuwkomer te laten lezen en schrijven als hij de taal begrijpt.

  3. Bij taken die zich in het ‘hier en nu’ afspelen, is de context lijfelijk aanwezig en kan de anderstalige nieuwkomer de betekenis van de begeleidende taal er onmiddellijk uit afleiden. Bij taken die zich in het verleden of in de toekomst afspelen, is dat veel moeilijker, zeker als de gebeurtenissen waarnaar wordt verwezen, zich ‘elders’ afspelen.

  4. Als het taalaanbod handelt over een ‘wereld’ waar de anderstalige nieuwkomer helemaal niet mee vertrouwd is of als het om abstracte zaken gaat, is het uiteraard moeilijker om de betekenis uit de context af te leiden dan wanneer het over een ‘bekend’ onderwerp gaat.

288