Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Effectief woordenschatonderwijs aan jonge tweedetaalleerders (Sylvia Bacchini)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

1. Basisonderwijs

1

zen om anderstalige kleuters op een goede manier te helpen? Welke middelen zijn zowel effectief (dus geven de kinderen de kans om zo snel mogelijk nieuwe woorden te leren) als efficiënt (d.w.z. kosten niet te veel tijd en passen ook organisatorisch in het kleutercurriculum)? Het onderzoek dat in deze workshop wordt gepresenteerd, is opgezet vanuit de gedachte dat voor het beantwoorden van deze vragen meer inzicht nodig is in de factoren die de woordenschatgroei van jonge kinderen beïnvloeden.

  1. Literatuuronderzoek over het leren van woorden

Literatuuronderzoek naar woordenschatonderwijs bij jonge kinderen leert ons dat het voorlezen van prentenboeken – en dan vooral als er meerdere keren wordt voorgelezen – het leren van woorden bevordert (Sénéchal 1997; Droop e.a. 2005). Dat betekent onder andere dat herhaling – dus: het vergroten van de frequentie waarmee de kinderen nieuwe woorden horen – van belang is. Verder bleek dat uitgebreide woordenschatactiviteiten, waarbij kinderen veel uitleg kregen en de te leren woorden op verschillende manieren herhaald werden, meer rendement opleverden dan voorlezen alleen (Beck & McKeown 1997; Biemiller & Boote 2006). Vooral voor jonge kinderen was een aanpak waarbij voorwerpen in aansluiting op prentenboeken werden gebruikt, effectief (Wasik & Bond 2001). Voor tweetalige leerlingen leverde de inzet van een digitaal prentenboek profijt op, maar alleen als er sprake was van animaties en herhaling (Verhallen 2009). Uit onderzoek van Justice (2002) kwam naar voren dat het eenvoudig ‘labelen’ van nieuwe woorden in een prentenboek betere resultaten gaf dan het stellen van vragen over de tekst.

Kijken we bovendien naar de condities waaronder kinderen in hun moedertaal nieuwe woorden leren, dan blijkt uit onderzoek dat de hoeveelheid taal die moeders aanbieden – en dan met name het aantal concrete zelfstandige naamwoorden – van belang is (Huttenlocher e.a. 1991). Moeders die woorden vaak herhalen, helpen vooral in de beginfase van de taalontwikkeling hun kinderen bij het leren van woorden (Hart 1991). Ook het noemen van woorden buiten zinsverband – dus: als losse woorden – is voor de eerste opbouw van de woordenschat een bepalende factor (Brent & Siskind 2001).

Uit de literatuur komen dus verschillende inputfactoren naar voren die het leren van woorden zouden kunnen bevorderen. In het onderhavige onderzoek zijn door middel van twee experimenten een aantal van die factoren onderzocht op hun effect op woordenschatgroei van jonge tweedetaalleerders.

  1. De experimenten

Aan de twee experimenten namen in totaal 195 vierjarige leerlingen van basisscholen in het westen van het land deel. De kleuters hadden allen een andere moedertaal dan

33