Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Effectief woordenschatonderwijs aan jonge tweedetaalleerders (Sylvia Bacchini)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

ZEVENENTWINTIGSTE CONFERENTIE ONDERWIJS NEDERLANDS

het Nederlands. In het eerste experiment keken de kinderen naar een computerprogramma met daarin twintig doelwoorden die of in korte zinnen aangeboden werden en daarna los herhaald of in lopende zinnen voorkwamen die samen een verhaal vormden. Daarnaast werd de frequentie van de woorden gevarieerd: in de versie met de hoge frequentie kwamen de woorden in totaal 21 keer voor; in die met de lage frequentie zes keer. De kinderen werden vooraf en na afloop van het programma getoetst op hun kennis van de doelwoorden. De resultaten lieten zien dat de hoge frequentie en het aanbod aan de losse woorden de meeste leerwinst opleverde voor de passieve woordkennis.

In het tweede experiment boden leerkrachten in een woordleeractiviteit dezelfde twintig woorden aan. Daarbij werd de context van een handelingssituatie, waarin de kinderen korte opdrachten uitvoerden, vergeleken met de context van een interactief voorleesverhaal. Ook nu werden weer toetsen vooraf en na afloop van het programma afgenomen. Uit de toetsresultaten kwam naar voren dat het geen verschil maakte of de kinderen de woorden via handelingen dan wel via het voorlezen leerden. Wel leerde de groep die na de woordenactiviteit nog twee keer het computerprogramma bekeek, meer woorden dan de kinderen die geen herhaling kregen.

  1. Discussie

Het is niet verwonderlijk dat de hoge frequentie van 21 keer tot meer woordkennis leidde dan de frequentie van zes keer. Toch is een aanbod van zes keer op zich geen echt lage frequentie en in de onderwijspraktijk zullen nieuwe woorden niet zo snel vaker aangeboden worden. De conclusie kan daarom zijn dat de betekenis van herhaling in het algemeen onderschat wordt. Jonge kinderen moeten alles op gehoor leren. Ze zijn immers nog niet geletterd en in auditief taalaanbod is herhaling nog belangrijker dan in schriftelijk aanbod.

Daarnaast viel op dat het aanbod van losse woorden effectiever was dan het aanbod van het verhaal. Hierbij speelt wellicht mee dat jonge tweedetaalleerders nog niet zo bedreven zijn in het segmenteren van lopende spraak. Dat houdt in dat een beginnende taalleerder de taalregels die het herkennen van woordgrenzen mogelijk maken nog niet of slechts ten dele beheerst en daarom moeite heeft met het horen van de afzonderlijke woorden.

  1. Vertaling naar de lerarenopleiding

De inzichten die het onderzoek oplevert, vragen om een vertaling naar de praktijk van de lerarenopleiding. Veel leerkrachten hebben de ervaring dat kleuters nieuwe woorden niet zo snel onthouden. Voor hun gevoel hebben ze dan toch de woorden vaak herhaald, maar misschien is dat ‘vaak’ nog niet vaak genoeg. Een herhaling van vijf of

34