Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 27 | Zevenentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands (2013)

Bijdrage: Taalvaardiger door verhalen (Ietje Pauw & Ben Bouwhuis)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

ZEVENENTWINTIGSTE CONFERENTIE ONDERWIJS NEDERLANDS

4.2 Resultaten 4.2.1 Structuur

Alle leerlingen zijn uiteindelijk in staat om een verhaal te structureren. Een passende opbouw blijft voor een aantal echter lastig: de verhalen hebben een te lange introductie of een te beperkte kern, waardoor het verhaal zich nauwelijks ontwikkelt. Ook het bedenken van een passend slot is soms moeilijk.

4.2.2 Inhoud, onderscheiden in gebeurtenis, personen, tijd en ruimte

  •  Gebeurtenis:

De meeste vertellingen/verhalen van de leerlingen zijn voor de toehoorder/lezer herkenbaar (goed te volgen), maar zijn echter zelden verrassend.

  •  Personen:

Het aantal personages is bij de meeste leerlingen beperkt. De kenmerken van de hoofdpersonen blijken vooral uit hun handelingen. Overpeinzingen en twijfels zijn niet aan de orde. De relaties tussen de personen zijn meestal oppervlakkig. Emoties worden soms benoemd, maar verdieping van de karakters vindt nauwelijks plaats. Het belang van het gebruik van dialogen is expliciet behandeld. De leerlingen gebruiken geleidelijk aan meer dialogen, maar dat leidt zelden tot verdieping of verlevendiging.

  •  Tijd:

Bij de meeste leerlingen neemt het gebruik van ‘en toen’ in de loop van het project af, ten guste van andere aanduidingen voor tijd en chronologie.

  •  Ruimte:

De beschrijvingen van de plaats en de verwijzingen ernaar zijn wisselend. Wel is er een correlatie tussen de lengte van de verhalen en de aanwezigheid van beschrijvingen.

4.2.3 Taalgebruik

Er is geen duidelijke relatie aanwijsbaar tussen verhaaltaal en structuur/samenhang. De beste schrijvers maken, in vergelijking tot de andere leerlingen, wel gerichter gebruik van specifieke aanduidingen en beschrijvingen, maar te weinig om daaruit kwaliteitsverschillen te verklaren.

40