taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)


Bijdrage: Cultuur overdragen en toch leerlinggericht werken? (Wam de Moor)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

- 149 -

Het betekent niet dat ze alle vier of vijf door even veel docenten en in gelijke mate nagestreefd worden.

Van oudsher heeft cultuuroverdracht, of culturele vorming zoals Thijssen (1985) haar noemt, hoge prioriteit gehad.

En hoewel in de jaren '70 zowel maatschappelijke bewustmaking als individuele ontplooiing voor degenen die zich over het probleem van het literatuuronderwijs in publicaties uitlieten de belangrijkste doelstellingen leken te zijn, vond nog in 1980 35% van de VWO-docenten Duits en 26% van hun HAVO-collagae dat de cultuuroverdracht de voornaamste doelstelling van literatuuronderwijs is. Zeven jaar later bleek onder neerlandici - zoals Joost Thissen voor de Nederlandse Taalunie naging - in de praktijk 94% van de docenten deze doelstelling belangrijk - zij het niet zonder meer de belangrijkste - te vinden, maar een bijna even grote groep - en daarvan moeten er vele dezelfde lesgevers zijn geweest - streefde de doelstelling leesplezier na, liefst 82%. Een kleine meerderheid van hen zou overigens meer willen weten van deze doelstellingen: 58% acht leesplezier zo belangrijk dat ze er meer van willen weten, 52% laat dit gelden voor cultuuroverdracht en 50% voor de doelstelling individuele ontplooiing. Wat we willen is blijkbaar niet zo duidelijk.

Het lopend onderzoek van Eus Schalkwijk, feitelijk ingesteld om te weten te komen hoe Duitse literatuurschoolboeken worden gebruikt en welke behoeften docenten Duits dienaangaande hebben, laat zien dat docenten Duits anno 1988, dus acht jaar na het onderzoek van Thijssen, een sterke voorkeur tonen voor de genoemde twee doelstellingen. Van de vijf doelstellingen scoren maatschappij-oriëntatie en literair-esthetische vorming gemiddeld lager dan 10%, maar haalt culturele vorming het hoogste percentage: op het HAVO met 72 van de 241 respondenten, ofwel een kleine 30%, op het VWO met 121 van de 259 respondenten, dat is bijna 47%, in totaal met 193 van de 500 respondenten, hetgeen neerkomt op 38,5%. Daarna volgt leesplezier met scores van in totaal 129 van de 500, dus bijna 26%, waarvan het HAVO een nog hogere score dan culturele vorming haalt: 85 van de 241 (ofwel ruim 35%), maar op het VWO veel minder, namelijk 44 van de 259 (ofwel 17%).

Zelfverkenning annex levensoriëntatie (vergelijkbaar met de doelstelling individuele ontplooiing) haalt totalen van 48 voor het HAVO (= 20%) en 55 voor het VWO (= ruim 21%), dat wil zeggen 103 van de 500 ofwel 20,5%. Maatschappij-oriëntatie moet het stellen met 24 respectievelijk 20 ofwel bijna 10% respectievelijk een kleine 8%, gemiddeld is dat bijna 9%. En literair-esthetische vorming wordt heel weinig genoemd: 12 op de HAVO en 19 op het VWO, 5% respectievelijk ruim 7%, gemiddeld 6%.

Dergelijke enquêtes zijn in zoverre onbetrouwbaar dat de begrippen waarop gerespondeerd moet worden nog wel eens onduidelijk blijken. Bijvoorbeeld: Waar in feite aan genres in proza en poëzie veel aandacht wordt geschonken, is het niet waarschijnlijk dat het begrip literair-esthetische vorming door alle geënquêteerden van Schalkwijk eenduidig wordt uitgelegd.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties