taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)


Bijdrage: Eindtermen Nederlands, een eerste reactie (Kees Sluis)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

- 21 -

  1. Schrijfvaardigheid.

Bij het Schrijven proef ik, dat de eindtermen een nauwe relatie vertonen met het Examen Functionele Schrijfopdrachten, zoals dat in het MAVO en LBO figureert. Al eerder heb ik geschreven, dat ik grote twijfel heb over (a.) de werkelijke functionaliteit van deze opdrachten, (b.) de veelheid van eisen die aan dit soort opdrachten wordt gesteld (tot uitdrukking komend in een ingewikkelde normering) en (c.) het feit dat de eigen inhoudelijke inbreng van de leerling tot een minimum wordt beperkt (noot 3). In de concept-eindtermen wordt de eis gesteld, dat een leerling brieven kan schrijven aan officiële instanties. Mij lijkt dit niet zo vaak nodig en het behoort zeker niet tot 'de leefwereld' van de meeste leerlingen van 15 jaar.. Als hiernaast in de eindtermen voorkomt dat een leerling hierbij "de noodzakelijke conventies" en de "juiste strategieën" moet kunnen toepassen, dan voorzie ik een jarenlange training in spellingsproblemen en stijlmiddelen, ten koste van andere vakonderdelen.

Een eerste vakonderdeel dat dan 'valt' is het Creatief Schrijven-onderwijs, waarbij de leerlingen wèl zelf hun ideeën en verhalen kunnen inbrengen. Toch is het dit soort schrijfonderwijs, waar de meeste leerlingen hun plezier in schrijven aan ontlenen.

Aardig is nog om op te merken, dat het Schrijven naar aanleiding van opsteltitels (ten behoeve van zowel fantasie- als beschouwende opstellen) in de voorgestelde eindtermen niet meer voorkomt. Ik treur daar overigens - om toetstechnische redenen - niet om.

  1.  Leesvaardigheid.

Bij het Lezen wordt dus het zakelijk lezen (gericht op tekstbegrip) en het lezen van .fictionele teksten als één geheel gezien.

Eén van de eersten die dat in het Nederlands taalgebied' propageerden, zijn Van Peer & Tielemans geweest in hun vakdidactiekboek "Instrumentaal" (noot 4). Hun pleidooi voor het laten vervallen van dit onderscheid in de didactiek heeft te maken met hun uitgangspunt dat beide soorten teksten op dezelfde wijze geanalyseerd moeten worden. Bij de tekstanalyse gaat het volgens Van Peer & Tielemans om leeractiviteiten op basis van verschillende graden van abstractie en uiteindelijk moet de leerling bij teksten rationeel-argumentatieve vragen kunnen stellen.

Deze vragen zijn in principe bij alle teksten van dezelfde soort en hebben betrekking op ondermeer het waarom van het denken en handelen van de personages in de tekst, het vergelijken van de tekstinhoud met eigen ervaringen (of met andere teksten), het motief van de schrijver, het realiteitsgehalte van de tekst. We moeten ons wel realiseren dat deze vragen een 'verderaf staan' van de tekst vereisen dan een vraag over de betekenis, van een moeilijk woord of een verwijswoord en dan een ervaringsgerichte vraag als "wat vind je mooi aan dit verhaal?". Voor de minder op abstrahering gerichte leerling zijn vragen over de bedoeling van de schrijver nu vaak al niet te beantwoorden, des te problematischer wordt tekstanalyse als zij voornamelijk dit soort vragen opwerpt. Achter de nu voorgestelde eindtermen lijkt dus een totaal nieuwe tekstbenadering te zitten.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties