taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)


Bijdrage: Het grammatica schandaal (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

- 55 -

verhouding eerder heb geschreven en hier de grammatica ter discussie staat, laat ik dit onderwerp verder rusten; cf. Van Calcar & Meddens, 1976; Van Calcar 1987: 39; 184; 193. Wel heb ik behoefte aan de volgende kanttekening. Nog steeds blijft taalbeschouwing beperkt tot incidenten, dat wil zeggen tot ideeën en uitwerking van ideeën tot afzonderlijke lessen of een reeks van lessen, in plaats dat taalbeschouwingsactiviteiten geïntegreerd zijn in een leerplan ten behoeve van het taalvaardigheidsonderwijs, zoals het voorstel is in Van Calcar, Clemens e.a. 1984; Van Calcar 1987: 29. Hiervoor pleit ook Roger 1988, vanuit de volgende overweging: zolang een integratie in bijvoorbeeld lees- en schrijfonderwijs ontbreekt, zal taalbeschouwing niet echt doordringen).

Wetenschap en onderwijs

In Van Calcar 1981a wijs ik erop, met verwijzing naar de wetenschapsfilosofie, dat wij de werkelijkheid waarnemen vanuit een bepaalde theorie die we ons verworven hebben sinds we leerden praten. Ik trek deze constatering door naar het deel van de werkelijkheid dat taal heet. Oordelen over bijvoorbeeld het Nederlands, die leerlingen moeten geven, of uitspraken die zij moeten doen over zinsverbanden of betekenissen zijn afhankelijk van de theorie waarover zij beschikken. Zonder zo'n theorie valt er geen uitspraak te doen dan geheel willekeurig. Niet lang na deze publicatie komt A. Sturm 1983 tot dezelfde vaststelling. De conclusie die ik uit deze vaststelling trok, luidde: als leerlingen oordelen over taal moeten uitspreken, dan zullen zij kennis moeten hebben van taal en taalgebruik, dus moeten beschikken over een theorie in één of andere vorm. Vervolgens is het niet zonder consequenties welke grammatica in het onderwijs geïntroduceerd wordt, dus vanuit welke theorie leerlingen wordt gevraagd naar taal te kijken, want afhankelijk van de theorie zullen zij anders kijken, anders handelen (cf. ook Van Calcar, 1987: h.19). Voor zover ik zie, spelen deze overwegingen geen enkele rol bij de schrijvers van grammatica's. Het is mogelijk, dat zij er zelfs geen idee van hebben dat ze een rol moeten spelen, met uitzondering van A. Sturm blijkens bovenvermeld artikel.

Veel grammatici geven een theorie van de taal terwijl ze eraan. voorbij gaan, dat taal allereerst een instrument is, dus allereerst beschreven moet worden vanuit zijn instrumentele karakter (cf. Dik 1978). De fout die alle grammatici die voor het onderwijs schrijven vervolgens maken, is dat zij geen oog hebben voor de gebruiker. Zij beschrijven de taal niet vanuit de gebruiker die aanwijzingen wil die hem in staat stellen het instrument beter te hanteren. Diens bemoeienis met het instrument is namelijk niet belangeloos: hij wil het kennen om het beter naar zijn hand te voegen. Hij wil geen theoretische wetenschap, maar een practische. Welnu, de huidige grammatica-schrijvers voor het onderwijs zijn nog steeds linguïsten, geen onderwijs- of schooltaalkundigen. Wat ik reeds beschreef in 1975 blijft gelden: wat de school wordt ingebracht is de wetenschappelijke grammatica verklaard voor de leek, in plaats van een grammatica die als

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties