taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)


Bijdrage: Het grammatica schandaal (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

- 56 -

uitgangspunt de taalgebruiker heeft. Ik sprak daarom van een grammatica voor het onderwijs. Deze opstelling van de taalkundigen heeft tot resultaat dat zij zich overbodig maken Taalbeheersers maken geen gebruik van hun grammatica's, als zij hun theorie taalkundig onderbouwen. Zij helpen zichzelf, door een integratie van taalkunde en taalbeheersing zoals Bol 1982 en Drop 1983 of door een nevenschikking van beide wetenschappen, zoals vanouds in Drop & De Vries 1980, Steehouder e.a. 1984 of Seegers, Aernoutse & Mommers 1987. Het bezwaar dat ik desondanks tegen hen moet aanvoeren, is dat ze geneigd zijn, eclectisch over te nemen wat taalwetenschappellijk geboden wordt in plaats van een eigen taalkundige theorie te schrijven die past bij hun theorie van taalbeheersing. Maar daarvoor zijn ze mogelijk te weinig taalkundig geschoold (cf. Van Calcar 1985). Het gaat er dus niet om, zoals ook Beaugrande 1980: 285 meent, wat taalkundigen aan het taalvaardigheidsonderwijs kunnen geven, maar wat taalkunde moet zijn om iets te kunnen bieden.

Hoe dan ook, de taalkundigen hebben het onderwijsveld moeten ruimen. Aan de oude strijdvraag: grammatica bevordert ja dan nee de taalbeheersing, leveren zij geen bijdrage meer; zij hebben daar kennelijk nooit echt in geloofd. Zij paaiden daarmee de taalbeheersers avant la lettre om hun grammatica's te slijten.

De taalbeheersers doen het nu zonder hen, maar helaas, de grammatica's blijven komen, om studenten en leerlingen een aparte vaardigheid bij te brengen, tot in de lbo's toe, namelijk zinnen te ontleden volgens een bepaalde wetenschappelijke theorie. Afhankelijk van de rangorde van het onderwijs waaraan zij deelnemen, moeten zij uit hun hoofd leren wat de goede ontleding is zonder daar ooit goed in te slagen, of krijgen zij de overwegingen te horen die eraan ten grondslag liggen (Van Calcar 1981a).

Welke Grammatica?

Het probleem wel of geen grammatica had ik al in 1975 opgelost door, zoals dat dialectisch heet, een sprong te maken, door niet te kiezen tussen ja of nee, zoals het al decennia toeging, maar de tegenstelling op een hoger plan te verzoenen. De oplossing was mogelijk te eenvoudig om opgemerkt te worden. Taalbeschouwing, waaronder grammatica, speelt een rol in het eerste taalverwervingsproces. Die vaststelling is daarna door velen herhaald (zie bijvoorbeeld Taaldidactiek aan de basis 1985, 3e druk: h. 3.3; 3.8; 10.1; Schaerlaekens 1977: 54; Hagen 1981: 72). Maar de consequentie werd niet getrokken: als ze een rol speelt in het eerste taalverwervingsproces, dan ook in het taalverwervingsproces dat op school plaats heeft. Pas in Hagen 1981 over de taalverwerving van dialectsprekenden wordt deze consequentie opnieuw getrokken; eveneens in Pepermans 1987.

Een andere uitspraak uit 1975 is evenmin ooit onderwerp van discussie geweest, terwijl ook deze een ander licht wierp op de aloude vraag van ja dan nee grammatica: grammatica is nodig voor de verwerving van een vreemde taal. Welnu, Nederlands is voor veel leerlingen een yreemde taal. Grammatica moet hen dus helpen zich die vreemde taal eigen te maken. De vraag is dan opnieuw:

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties