- 57 -
wat voor een grammatica? Voor het antwoord daarop moet men weten, hoe zij het best die vreemde taal kunnen leren. Daarover kunnen de meningen verschillen, maar alleen daarover. Dat probleem is zich dwingender voor gaan doen met de komst van leerlingen wier moedertaal geen onderdeel uitmaakte van het Nederlands: de NT2- ers. Welke grammatica hebben zij nodig? Dezelfde, een andere?
In de tekstwetenschap en in het algemeen binnen taalbeheersing hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die een nieuw licht werpen op de plaats van de grammatica binnen het onderwijs en op het soort grammatica dat het onderwijs nodig heeft.
Een belangrijke vaststelling van de laatste 10 jaar binnen de tekstwetenschap is, dat taalgebruikers strategieën aanwenden als zij lezen en luisteren. Ze maken gebruik van de (voor)kennis die zij hebben, om de informatie die hen aangeboden wordt te verwerken en te begrijpen. Tot die strategieën behoren de aanwending van kennis van taal (grammatica) en van taalgebruik (pragmatiek). Deze kennis is georganiseerd in de vorm van schema's (frames, scripts, scenario's). Optimaal gebruik van strategieën betekent onder meer een goede kennis van taal en taalgebruik, die dan ook aangeleerd moet worden, wanneer die ontbreekt. Als consequentie zie ik tevens, dat studenten c.q. leerlingen leren, hoe zij het beste van deze strategieën gebruik kunnen maken, bijvoorbeeld om beter te lezen (Henneman & Van Calcar 1988).
Deze theorie van tekstverwerking biedt het antwoord op de al eerder gestelde vraag, welke grammatica in het onderwijs nodig is. In het hoofd van taalgebruikers zitten schema's met open plaatsen, die ingevuld worden wanneer zij lezen of luisteren. Eén zo'n schema is wat ik in mijn taaltheorie het model van een werkwoord noem, met verwijzing naar. de functionele theorie van Dik e.a. Zie hiervoor Van Dijk & Kintsch 1983: 113; 308;cf. Van Calcar 1979: 204. Verschijnt het woord lopen dan zoekt de taalgebruiker naar degene die loopt. Door te lezen of te luisteren wordt zijn verwachting al dan niet vervuld. Met schrijven of spreken is het niet anders: taalgebruikers praten over de werkelijkheid, dat wil zeggen over de relaties die er tussen mensen, dieren of dingen bestaan. Zij hebben het over een vechtpartij en zullen overeenkomstig aangeven, wie met wie vocht, waarom en met welk resultaat (Van Dijk & Kintsch 1983: h.8.5; cf. Van Calcar, 1983: 216).
Het huidige taalbeheersingsonderwijs laat zien, dat grammatica nodig is (Van Calcar 1988). Dat pleidooi hoef ik niet meer te houden. Waar het mij hier om gaat, is dat de huidige grammatica's niet aan deze behoefte zijn, aangepast; zij staan daar los van en vormen als zodanig een aanfluiting van de zorg die de onderwijsgevende geacht wordt te hebben voor het onderwijs. Maar dat vormt voor mij niet alleen het schandaal van de grammatica. Dat bestaat ook hierin, dat ik in vele artikelen die aansluiting met de recente ontwikkelingen binnen taalbeheersingsonderwijs mogelijk heb gemaakt en bepleit, maar op een enkele uitzondering na (bijvoorbeeld Van Gelderen 1988) daarin nooit ben gekritiseerd of bijgevallen.
Dus, de vraag luidt niet meer: wel of geen grammatica, maar: welke grammatica? Mijn antwoord op deze vraag kan bekend zijn. Het wachten is op een weerwoord, tegenvoorstellen, kritiek, kortom een discussie. Tot zolang kan ik menen, op de juiste weg