taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)


Bijdrage: De kwaliteit van het moedertaalonderwijs (Frans Daems)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

- 69 -

De aanpak voor het aanleren van het weglatingsteken is vrij klassiek te noemen. Eén voor één worden de verschillende gevallen waar een apostrof gebruikt wordt bekeken, en uit de verschillende voorbeelden worden 'regels' afgeleid. De leerlingen krijgen zodoende een overzicht van de gevallen waar een apostrof nodig is. Het gaat hier dus om een niet-procedurele regelmethode. Dat betekent dat de leerling die aan het schrijven is, er zelf attent op zal moeten zijn wanneer op een gegeven moment een apostrofregel van toepassing is. Deze regelmethode is dan ook van fundamenteel dezelfde aard als die welke vaak gebruikt wordt voor het aanleren van de werkwoordsspelling. Handelingsregels worden in de instructie niet bijgebracht; veelal gaat de leerkracht er stilzwijgend van uit dat de leerlingen uit de spellingregels zelf handelingsregels zullen afleiden. Voor mijn gevoel zet de leerkracht hiermee een welbekende traditie verder.

De les begint met één zin die gedicteerd wordt en die op het bord gecorrigeerd wordt. Ik denk dat het ook tot de traditie behoort om dan meteen niet alleen aandacht te hebben voor het onderwerp van de dag, maar meteen ook voor andere spellingverschijnselen voorzover die via fouten op het bord onder de aandacht komen: bijvoorbeeld het plaatsen van een vraagteken (r.159), de afleiding van de genitief 'Galliës' uit het grondwoord 'Gallië' (r.150-154). Het lijkt me ook een goed ingeburgerde traditie dat, nadat het regelsysteem behandeld is, toepassingsoefeningen volgen.

Andere leerdoelen/leerinhouden/onderwerpen

Wij vonden het opmerkelijk dat naast het hoofdonderwerp, het weglatingsteken, tal van andere onderwerpen vrij uitdrukkelijk aan de orde worden gesteld. Daarbij vallen ondermeer de volgende zes zeer duidelijk op.

  1.  woordenschat

Waar daar op een natuurlijke wijze aanleiding toe is vermeldt de leerkracht een bepaald woord. Voorbeelden zijn: 'panoramische zichten' (r.65, ter vervanging van de door een leerling genoemde term 'massatekeningen'); 'de plot, zo heet dat' (r.79). Aan woordenschatuitbreiding is in het onderwijs van het Nederlands in Vlaanderen altijd veel aandacht besteed. Vaak gaat het daarbij om apart georganiseerde woordenschatlessen. Hier verloopt het aanleren van nieuwe woorden eerder occasioneel. Overigens denk ik dat het ook verband houdt met het volgende leerdoel.

  1.  vakmatige kennis

Terloops gaat de leerkracht nader in op vakmatige begrippen of kennis zoals bijvoorbeeld: strips (r.40; wie zijn de scenarist en tekenaar van de Asterix-albums ?); humor (r.80-114); anachronismen (r.102-111; het woord 'anachronisme' wordt echter niet genoemd).

  1.  standaardtaal

In r.163-166 reageert de leerkracht op een regionaal gekleurde uitspraak van een leerling (waarop de medeleerlingen door te

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties