Doorzoek alle bundels


Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)

Bijdrage: De kwaliteit van het moedertaalonderwijs (Frans Daems)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

- 70 -

lachen overigens ook al reageren) en vraagt hij om "wat keuriger" te praten. Het is in Vlaanderen een oude traditie dat leerkrachten Nederlands uitdrukkelijk aandacht besteden aan correcte taal, dat wil zeggen niet regionaal gekleurde taal.

  1.  algemene of wereldkennis

Het opgenomen lesfragment bevat daar geen duidelijke voorbeelden van. Een schitterend voorbeeld komt echter verderop in de les voor. Naar aanleiding van een oefenzin op de apostrof ('Leonardo da Vinci heeft prachtige madonna's geschilderd') krijgen we het volgende lesfragment:

LK Wie is Leonardo da Vinci ? 11 Oh, ne schilder.

LK Kun je die situeren ? Wanneer ? Waar

11 Italië, tijd van Columbus. LK En welke periode was dat ? 11 15de eeuw.

LK Goed. Ken je, heb je er al iets van gezien ? Niet misschien

in het echt.

11 Die madonna.

LK Wat heeft hij nog op zijn actief staan ?

11 De Mona Lisa.

  1.  een kritische houding aannemen

De leerkracht wenst kennelijk zijn leerlingen een kritische houding bij te brengen. Als je een uitspraak doet, dan moet je dieper op doordenken. Een mooi voorbeeld daarvan is de passage r.50-62, waar een leerling zegt dat hij de strips van Asterix beter vindt dan andere omdat de auteur ervan dood is.

  1.  abstraheren en generaliseren

De leerlingen doen geregeld vrij concrete, specifieke uitspraken, zoals in r.86-94. In r.93-94 geeft een leerling een heel concreet voorbeeld van wat hij geestig vond aan een Asterix-album.

Boven op die concrete ervaring van de leerling plaatst de leerkracht een veel meer abstracte, theoretische verklaring in r.95112, die overigens veel verder reikt dan wat de leerling bedoeld heeft.

Waarom zitten er zoveel andere onderwerpen of leerdoelen in de les ?

In de interviews legde de leerkracht er de nadruk op dat hij bij Nederlands niet met losse elementen werkt, dat formele taalelementen niet op zichzelf staan, maar uiteindelijk altijd naar een stuk werkelijkheid verwijzen. Hoewel hij dat zelf niet uitdrukkelijk gezegd heeft, meen ik te mogen afleiden dat hij Nederlands ziet als een soort van werkelijkheidsonderricht waarin alles met alles samenhangt. Ook uit een oogpunt van motivatie wil hij Nederlands niet reduceren tot strikt vakmatige kennis van op zichzelf staande elementen, maar wil hij inhaken op de eigen ervaringen van de leerlingen. Hij wenst met andere woorden een soort van holistische aanpak.