taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 3 | Derde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1988)


Bijdrage: Basisvorming en eindtermen (Jan Verbeek)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

8

Dat heeft enerzijds te maken met het concentrische karakter van een aantal taalvaardigheden, die zowel op basisschoolniveau als ook op universitair niveau beoefend kunnen worden. Anderzijds is het soms onmogelijk in een paar heldere formuleringen aan te geven waar dan de niveauverschillen in zitten en zou er te veel tekst nodig zijn deze verschillen heel exact aan te duiden, terwijl leerkrachten heel goed weten vanuit de praktijk waar diE niveauverschillen in zitten.

De commissie signaleert hiermee een heel wezenlijk probleem, maar heeft op dit moment daar nog niet de conclusie uit getrokken het niveau-onderscheid als onwerkbaar te beschouwen. Juist via de raadplegingsgesprekken proberen we meer helderheid op dit gebied te krijgen.

Over de wijze van toetsing van de eindtermen heeft de commissie zich nog niet gebogen. Verwacht mag worden dat dit aspect niet meegenomen zal worden in het advies van 12 januari 1989, maar in de vervolgopdracht zal worden meegenomen.

Ik kom dan toe aan de laatste twee onderdelen van mijn verhaal: Wat zullen de conse uenties van deze eindtermen zijn voor leerkrachten en leerlingen.

Ik begin met het aangeven van consequenties voor de leerkrachten: Dat kan op dit moment niet meer zijn dan een inschatting van mi kant. Allereerst zijn de eindtermen nog niet vastgesteld, en in de tweede plaats berust die inschatting op een vergelijking

tussen wat ik maar zal noemen de doorsnee praktijk van het schoolvak Nederlands en het onderwijs dat gerealiseerd moet worden om deze eindtermen te kunnen halen. Beide elementen zijn niet hard in te vullen. Ik zal dus op bepaalde onderdelen constateren dat dit eindtermenontwerp consequenties zal hebben zonder precies in te gaan op waar die consequenties dan uit zullen bestaan.

Ten aanzien van de onderdelen SPREKEN/LUISTEREN, SPREKEN en LUISTEREN wijkt dit ontwerp nogal af van de bestaande praktijk: de leerlingen moeten een aantal dialoog- en polyloogsituaties leren beheersen, op de hoogte zijn van conventies in taalgebrui strategieën kunnen toepassen om bepaalde spreek- en luisterdoel te bereiken. Op dit punt is er nog weinig traditie in het schoolvak Nederlands; ik heb het vermoeden dat de didactiek op deze onderdelen aardig onderontwikkeld is.

Voor SCHRIJVEN zit de afwijking in de expliciete aandacht voor verschillende fasen in het schrijfproces: de conceptuele fase: voor jezelf aantekeningen kunnen maken, een kladnotitie kunnen schrijven etcetera, en de aandacht voor de herschrijf-fase: op basis van reacties van anderen een tekst kunnen herschrijven.

Bij LEZEN is geen principieel onderscheid gemaakt tussen het lezen van literaire en niet-literaire teksten. Aan beide vormer dient aandacht besteed te worden. Voor sommige groepen leerkrachten zal aandacht voor jeugdliteratuur nieuw zijn.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties