taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 4 | Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1990)


Bijdrage: Didactiek van de metafoor: theoretische basis en leselementen (Armand van Assche)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

  1. De substitutie-theorie

Volgens deze theorie wordt in een metafoor .een letterlijke uitdrukking vervangen door een figuurlijke, b.v. 'de avond van het leven': de avond vervangt, staat in de plaats van het einde.

Deze theorie lijkt zinvol voor een aantal dode of versleten metaforen, maar door haar klemtoon op de substitutie, de vervangbaarheid wordt de metafoor intrinsiek ook gezien als een versiering, een 'overbodig' ornament, dat men evengoed door het 'letterlijke' woord kan vervangen.

  1. De vergelijkingstheorie

De metafoor wordt hier getypeerd als een impliciete vergelijking. Aan de basis van elke metafoor ligt een vergelijking, die zonder 'als' wordt geponeerd en die niet letterlijk te nemen is. Het komt erop neer dat elke metafoor tot een vergelijking kan omgebogen worden en omgekeerd, wat moeilijk verdedigbaar is.

Tevens moet men een onderscheid maken tussen letterlijke en figuurlijke vergelijkingen. Letterlijke vergelijkingen zoals 'encyclopedieën zijn als woordenboeken' hebben een ander, meer verklarend en minder beeldend effect dan figuurlijke vergelijkingen zoals 'encyclopedieën zijn als goudmijnen'. Alleen de figuurlijke vergelijkingen zijn metaforisch geladen en kunnen tot metaforen worden getransformeerd, al verandert daardoor het effect. Dat evenwel gelijkenissen (en verschillen) tussen de componenten van de metafoor een grote rol spelen bij de interpretatie zal niemand ontkennen.

  1. De interactietheorie

Deze meer dynamische theorie stelt dat de twee componenten waaruit elke metafoor bestaat, onderling op elkaar inwerken en dat uit deze interactie een nieuwe betekenis of visie ontstaat. De meest actuele theorieën sluiten hierop aan, maar leggen ook enkele nieuwe, onderling nog uiteenlopende accenten zoals aandacht voor de context, voor de inbreng van de lezer en voor concepten als semantische netwerken en betekenisdomeinen.

De interactie tussen de componenten leidt tot een gedeeltelijke verstrengeling van de twee begripsdomeinen en er wordt een asymmetrische werking van het ene domein op het andere vastgesteld. Je bekijkt het ene domein vanuit het perspectief van het andere. In b.v. 'een autoweg is een, slang' wordt .de autoweg bekeken vanuit het perspectief van de slang: de eigenschappen van de slang zijn dominant om de uitspraak over de autoweg te verstaan, al bepalen. de eigenschappen van een autoweg welke kenmerken van de slang in aanmerking komen.

12

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties