Bundel 4 | Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1990)
Bijdrage: Drug, placebo of medicijn? Of: nog maar eens woordenschat (Hugo de Jonghe)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »
Hugo de Jonghe
DRUG, PLACEBO OF MEDICIJN?
OF: NOG MAAR EENS WOORDENSCHAT
Een markant verschil tussen Noord en Zuid
Wie didactiekboeken uit het Zuiden en het Noorden met elkaar vergelijkt, stelt gauw vast dat er benevens een hoop gelijklopende zaken ook een paar markante verschillen zijn. Eén daarvan heeft betrekking op het in Vlaanderen zo geliefde vakonderdeel 'woordenschat'.
In de indexen van de Noordnederlandse didactiekboeken komt geen 'woordenschat' voor. Zo vind je in het boek van de Leidse Werkgroep (1980) alleen maar 'woordenboek', 'woordmozaïek' en 'woordrapport'. Vlaamse leraressen en leraren die in het meer dan 700 bladzijden dikke boek op zoek gaan naar inzichten m.b.t. deze materie, komen bedrogen uit. Zelfs bij Van Dis (1962) kwam het niet voor, al wijdt dat boek enkele bladzijden aan de bespreking van woordbetekenissen in de klas. Zo staat er uitdrukkelijk: 'De oefeningen in taalkeuze en lexicologie zijn op hun best van een noodzakelijke kunstmatigheid. Ze moeten dus een aanvullende plaats in het onderwijs innemen. Een rijkere en dieper scholende invloed gaat uit van oefeningen waarbij de taal volledig in functie is.' (p. 55) Het aan Van Dis voorafgaande rapport-Van den Ent (1941) heeft geen index, maar wijst er in zijn zesde hoofdstuk over 'Stijl- en stelonderwijs' wel op dat de 'uitbreiding van taalbezit' in de regel via leesonderwijs verloopt (blz. 69). Integratie dus, en waar dat niet kan moet er toch voor 'zin- of tekstverband' gezorgd worden.
In de Vlaamse didactiekboeken komt het woordenschatonderwijs in de regel wel voor, maar je ziet tevens een duidelijke evolutie. Bovée (1969) wijdt er een apart hoofdstuk van ca. 20 bladzijden aan. Wie de moeite neemt om die te lezen en door de nog zeer romantische formuleringen heen te kijken, ziet bij hem belangstelling voor de systematiek in de woordbetekenissen en niet voor het losse woord als te verwerven taalelement. In dat opzicht staat Bovée wel een eind van heel wat zelfs nu nog gangbare onderwijspraktijk af. Die praktijk nam ik eerst datzelfde jaar en dan vijf jaar later ook op de korrel, geleerd door een aantal ervaringen in de inspectie (De Jonghe 1969, 1974). Weer zoveel jaren later is woordenschat als apart vakonderdeel verdwenen in Daems (1982). Bij Van Peer (1984) wordt er in het hoofdstuk over de leerinhouden van het moedertaalvak kort bij woordenschat stilgestaan: de auteurs keuren traditionele werkvormen (zoals invuloefeningen, gebruik van woorden in zinnen) af en pleiten voor meer actieve werkvormen.
Tegenover de afwezigheid van het traditionele woordenschatonderwijs als vakonderdeel in de recente Noordnederlandse didactiekboeken en de eigenlijk toch wel duidelijke afwijzing ervan in die van het Zuiden staat een Vlaamse
129