dat literatuur nooit helemaal kan verdrongen worden omwille van haar eigen, onvervangbare functie: "tussen lezer en schrijver vindt een ontmoeting plaats die alle uiterlijkheden overslaat en zich uitsluitend afspeelt op het vlak van de innerlijke ervaring."
Ik zelf schat een dergelijke situatie, waarbij de positie van het literatuuronderwijs niet zo comfortabel lijkt, echter vrij positief in. Dan mogen we in geen geval alles bij het oude laten en alleen maar hopen dat er niet zo iets gebeurt als in ThatcherEngeland. Wel moeten we nagaan hoe het verwijt aan 'verkapte filologie' te doen i.p.v. aan te spreken met literatuur kan afgehouden worden, en hoe anderzijds de echte functie van literatuur ook in de klas bewaard kan blijven. "Literatuur is geen spelletje," stelt Aad Nuis nog. "Literatuur is gevaarlijk, voor schrijvers en voor lezers. Ze doet een aanslag op onze overtuigingen, onze verbeelding, onze ziel. Ze wil ons veranderen en daagt uit tot een reactie." Men kan zich immers afvragen of een puur chronologisch-encyclopedische behandeling van de literatuur (met een cesuur tussen voorlaatste en laatste jaar middelbaar onderwijs rond 1880 voor het Gemeenschapsonderwijs; twee keer de trein door de geschiedenis maar dan wel via een opdeling in genres voor het katholieke onderwijs), tenminste indien die voorschriften strikt zouden toegepast worden, wel de meest motiverende en leerlinggerichte aanpak is. Ik vind dergelijke overwegingen ook terug bij een Willy van Peer, die in een opmerkelijk artikel in Ons Erfdeel (1988-2) over..., jawel, 'de crisis in het literatuuronderwijs' een duidelijke voorkeur uitspreekt voor "het herstellen van de humanitaire opdracht" van de letteren, essentiële (o.m. ook ethische) bekommernissen ervan doorgeven naast een methodologie die o.m. rekening houdt met verworvenheden van structuralisme, receptietheorie, deconstructionisme...
Ook tegen de opvattingen van de autonomie van de literaire tekst (zoals verdedigd in navolging van het close-reading-structuralisme) of de stuurloosheid van elke literaire communicatie (zoals gepredikt en vlijtig nagevolgd door 'postmodernisten') kwam - terecht - verzet. Carel Peeters is hier wellicht de bekendste naam.
Wie literatuur immers als plichtvak wil behouden, zal elke mogelijke aantijging ver van zich moeten weten te houden, als zou literatuur slechts een overroepen tijdverdrijfje zijn voor enkele 'fyne luyden'. Daartoe zal het echter nodig zijn leerprogramma's, de tekstkeuze en de aanpak in de klas bij te sturen, weg van een louter historiserend-categoriserende cultuuroverdracht naar een inhoudelijk 'humanistisch project'. Wat dat betreft zit een Aad Nuis duidelijk op dezelfde lijn als een Milan Kundera, die - in navolging van de fenomenologie van Husserl - stelt dat de wezenlijke kracht van de roman en de literatuur erin bestaat, de enige menselijke activiteit te zijn die de levenservaring, de 'Lebenswelt' in al haar veelvoudigheid in steeds nieuwe, het cliché doorbrekende vormen probeert te vatten.
Op die vraag naar een naar de diepte gaande herstructurering van de literaire schoolcanon zijn in de voorbije decennia diverse antwoorden gegeven, die mij slechts gedeeltelijk werkbaar toeschijnen. Een puur thematische aanpak b.v. sluit wel aan bij de Lebenswelt (het Nederlandse 'leefwereld' heeft me een iets te sociaal-werkerbijklank) van de leerlingen, maar houdt het grote gevaar in een 'nil
149