taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 4 | Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1990)


Bijdrage: Taalbeschouwing, beeldtaalbeschouwing, levenshouding (Jos Thijssen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Bij de eerste kijkvaardigheid, het prentlezen, vraagt de leraar eerst naar de globale indruk die het beeld geeft. Daarna wordt het beeld geanalyseerd. De hoofdzaken (personen, dieren, voorwerpen...) worden opgesomd. De relevante details i.v.m. de hoofdzaken worden opgemerkt. De relaties tussen de hoofdzaken worden ontdekt. (Met vraagjes als: Hoe? Waarmee? Waar? Wanneer? Waartoe? Hoeveel? Waarom?) De aard en de bedoeling van de prent worden achterhaald. (Is het beeld onderhoudend, informatief, beïnvloedend, realiteit, fictie...?) De middelen die de maker gebruikt om zijn boodschap over te brengen worden nagegaan. (Kleuren, contrasten, aandachttrekkers, realiteitsweergave of -vervorming, symboolwaarde, combinatie beeld/onderschriften, combinatie beeld/woord, analyse van het beeld, vluchtigheid van het beeld...) De prent wordt beoordeeld. (Is het mooi? Waarom? Is het waar? Hoe weet je dat? Heb je iets bijgeleerd? Wat dan? Heb je ervan genoten? Waar? Wanneer? Reageer je erop? Hoe?...)

Bij het filmkijken wordt eerst gevraagd naar de globale indruk van de film. Daarna wordt de film geanalyseerd. De hoofdzaken worden gezocht. (Wie, Wat? Welke gebeurtenissern? Waar? Wanneer?) De relaties tussen de hoofdzaken worden opgespoord. (Hoe? Waarom? Waarmee? Waartoe?...) De structuur van de film wordt nagegaan. (Chronologie, flashbacks, duur van de sequenties...) De aard en de bedoeling van de film worden achterhaald. (Onderhoudend, informatief, documentair, beschrijvend, verhalend, werkelijkheid, fantasie, beïnvloedend, publicitair, clip, autobiografisch...?) De middelen die de maker gebruikt om zijn boodschap over te brengen worden nagegaan. (Kleuren, contrasten, close-ups, vergezichten, mate van realiteitsvervorming, symboolwaarde van personen, zaken, dieren, combinatie beeld/onderschriften...) De film wordt beoordeeld. (Is het mooi? Waarom? Is het waar? Onjuistheden? Heb je ervan genoten? Waar? Wanneer? Is het in do werkelijkheid ook zo? Wat vond je bijvoorbeeld van het hoofdpersonage? Zou jij ook zo handelen? Hoe dan wel? Hoe zou het ook anders kunnen aflopen? Heb je iets bijgeleerd? Wat dan? Hoe zal je erop reageren?...)

Op het eerste gezicht lijken zulke lessen wel leuk, en dat zouden ze ook moeten zijn, maar we moeten ons wel realiseren dat ze een grondige voorbereiding vragen. De leraar verzamelt het aangepaste beeldmateriaal en bekijkt het met het oog op de les. Hij zorgt ook voor de materiële voorbereiding (o.a. afspraken i.v.m. toestel(len), schikking en verduistering van het lokaal).

Die activiteiten kunnen een aanloop zijn tot andere taalactiviteiten:

- bespreken en opstellen van een plan voor het maken van een diareeks of een videofilmpje;

  • schrijven en inspreken van commentaar;

  • spreeklessen in verband met de apparatuur;

- schrijven en spelen van reclamespots en scènes uit bekeken film;

- ontwerpen van reclamefolders en affiches;

- lezen ven (fragmenten uit) verfilmde boeken;

  • vergelijken van verschillende verfilmde versies van een boek.

219

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties