taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 4 | Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1990)


Bijdrage: Het ontwikkelen van een leerplan schrijven voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs (Jan Boland en Vera Kerremans)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

ALGEMEEN

Oriëntatie op de lezer is voor een schrijver die zijn lezer wil bereiken met wat voor doel dan ook, steeds belangrijk. Een schrijver die zich publiekgericht kan opstellen is in staat zich in té leven in zijn ontvanger en kan vervolgens de juiste middelen (woorden, zinnen, opbouw van een tekst enz.) hanteren om hem te bereiken. Onder het trefwoord 'publiekgerichtheid' vindt u vermeld wat een dergelijke oriëntatie op de lezer kan inhouden en op welke wijze leerlingen daarin geoefend kunnen worden.

Inleven is evenwel meer dan 'oriëntatie op publiek' (= een beeld hebben van je potentiële lezers, vooral ten aanzien van gemeenschappelijke kenmerken). Het aspect dat er bij komt is de anticipatie van de schrijver op de lezer tijdens het schrijven. Ik, schrijver, ben aan het schrijven en welke vraag zal nu bij mijn lezer kunnen opkomen, wat stelt hij/zij zich voor bij dit onderwerp, wat voor oordeel zal hij/zij hebben over deze mening?

Ook inleven in de situatie van de lezer is van belang: zal hij/zij deze tekst rustig in een hoekje lezen of is het een van de vele teksten die hij/zij door moet nemen in een drukke omgeving?

De schrijver moet ook denken aan de leesmanieren en -vaardigheden van de lezer.

Een goede schrijver maakt bewust of onbewust vooraf en tijdens het werken een lezeranalyse en een situatieanalyse.

Bij een lezeranalyse zijn de volgende punten van belang:

  1. Kennis: wat weet de lezer van het onderwerp?

  2. Leeswijzen/leesvaardigheden: zal/moet de tekst grondig worden gelezen, heeft de lezer aan een half woord genoeg of moet hij/zij stapsgewijze 'meegenomen' worden?

  3. Lezersvragen oproepen (nauw samenhangend met het voorafgaande punt): wat voor vragen kan deze tekst bij de lezer oproepen?

  4. Oordelen: wat vindt de lezer van het onderwerp in zijn geheel en van bepaalde meningen in de tekst?

  5. Capaciteit: is de lezer gewend een dergelijke tekst te lezen, heeft hij het schema daarvan in zijn hoofd zitten?

  6. Beeld van de schrijver: kent de lezer de schrijver of is het een onbekende voor hem/haar?

 

Bij situatieanalyse speelt een rol:

  1. De omgeving waarin de tekst gelezen gaat worden: rustig, op straat, even tussendoor enz.

  2. De eventuele medelezers: met een groep een aangeplakte oproep lezen is iets anders dan met een familielid luisteren naar het voorlezen van een brief van een tante uit Canada.   45

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties