taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 4 | Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1990)


Bijdrage: Het ontwikkelen van een leerplan schrijven voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs (Jan Boland en Vera Kerremans)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Een schrijver beschikt over taal- en stijlmiddelen om de lezer bewust bij zijn tekst te betrekken. Hij kan de lezer aanspreken met jij, u, lieve lezer, enz.; hij kan hem gebiedend toespreken: kijk uit, let op, doe dit (bijv. in een oproep of gebruiksaanwijzing); hij kan de lezer nadrukkelijk iets gaan uitleggen ("het lijkt met verstandig jullie eerst te vertellen ....") enz.

Interactie met de lezer kan hij ook op subtielere manier nastreven: door een vraag op te roepen waarop de lezer graag het antwoord wil hebben; door naast een argument een tegenargument te zetten (dat bij de lezer misschien zal kunnen opkomen); door de lezer te vleien. Kortom een scala aan retorische middelen staat hem ten dienste.

WAAROM AANDACHT VOOR INLEVEN

Inleven in, anticiperen op de lezer gebeurt bij goede schrijvers vaak onbewust. Zij hebben voldoende (schrijf)techniek in huis om dat te kunnen. Voor jonge schrijvers is dit evenwel erg lastig. Goede zinnen op papier zetten is al moeilijk genoeg, laat staan dat ze ook nog aan een mogelijke lezer moeten denken. Bovendien vergt dat kennis van lezers en het vereist een behoorlijk abstractievermogen.

Als het zo moeilijk is, moeten we er jonge schrijvers op school dan wel mee lastig vallen? We denken dat een zekere mate van inleving noodzakelijk is om te komen tot functionele schrijfprodukten. Zelfs bij een eenvoudige brief moet de schrijver zich kunnen verplaatsen in de lezer: zal hij/zij snappen wat ik wil, vindt hij/zij mijn brief beleefd genoeg, is het niet te deftig, maar ook weer niet te gewoon? Het blijkt dat nogal wat leerlingen moeite hebben zich te verplaatsen in schrijfsituaties. Opdrachten die beginnen met 'Stel-je-voor-dat..' leveren vaak problemen op.

Leerlingen zijn niet genegen of in staat zich af te vragen wat ze zich precies moeten voorstellen. Met als gevolg teksten die qua toon niet deugen, die de lezer niet bereiken of juist averechts werken. Eenvoudige lezersanalyse en soms situatieanalyse zijn voorwaarden voor een produkt dat communicatief voldoende functioneert.

Leerlingen - zoals alle schrijvers - anticiperen vaak uit zichzelf op lezers (hoe diffuus die groep dan ook voor hen is). Iedereen kent de volgende voorbeelden uit opstellen:

  •  Nu zult u zich misschien wel afvragen....;

  •  Men kan hier tegenin brengen.....;

  •  De vraag, beste lezer, is wel....;

- Je denkt misschien, is dit niet een rare gedachte....

Vaak betreft het hier niet een 'echte' interactie met een mogelijke lezer, maar praat de schrijver met zichzelf: hij/zij vraagt zich iets af, werpt iets tegen enz. en doet alsof een lezer dat zou kunnen doen. In onderwijsleersituaties kunnen we hiervan gebruik maken bij het ontwikkelen van het inlevingsvermogen.

LESIDEEËN

1.' Geschikt voor: inspelen op mogelijke voorkennis van lezers.

a. Laat leerlingen zeggen/opschrijven wat ze van een bepaald

onderwerp weten respectievelijk vinden. Doe dit eerst algemeen. 46   Bijv. eetgewoontes jongeren: wat eten ze, wat vind je ervan?

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties