taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 4 | Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1990)


Bijdrage: Communicatief taalonderijs in de leerplanontwikkeling Nederlands (Helge Bonset)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Helge Bonset

COMMUNICATIEF TAALONDERWIJS IN DE LEERPLANONTWIKKELING NEDERLANDS

In deze voordracht wil ik op twee vragen ingaan:

  1. Wat houdt het begrip Communicatief Taalonderwijs in?

  2. Wat houdt het begrip Opbouw (structuur, "leerlijn") van Communicatief Taalonderwijs in?

In het Project Nederlands Voortgezet Onderwijs le fase van het Instituut voor de Leerplanontwikkeling (Enschede, Nederland) hebben we getracht, via een aantal kleinere onderzoeken, meer helderheid te krijgen over bovenstaande vragen, ten behoeve van ons eigen leerplanontwikkelingswerk, maar evenzeer van de theorievorming binnen de didactiek van het Nederlands. Voordat ik op de vragen zelf inga, wil ik eerst ingaan op het belang ervan.

Onderzoek van Kroon (1985) en Damhuis en anderen (1983) maakt op dit punt een en ander duidelijk. Van duizend door Kroon geënquêteerde leraren Nederlands nam een meerderheid - naar eigen zeggen - een verandering waar in het onderwijs Nederlands in de richting van "communicatie-onderwijs", en eveneens een meerderheid beoordeelde die verandering positief. (Het ging hier om een verandering van het literair-grammaticale paradigma van moedertaalonderwijs, waarin traditioneel grammatica-onderwijs een belangrijke rol speelt, naar het communicatieve paradigma.) Damhuis en anderen vroegen aan duizend docenten Nederlands wat deze het belangrijkste doel van schrijfonderwijs vonden. Het maatschappelijk functionele doel, adequate communicatie in praktische situaties, werd door hen het vaakst genoemd. Maar ook bleek dat dit communicatie-onderwijs naar het eigen zeggen van de ondervraagde docenten sterk bleef steken in de retoriek. 61% van de geënquêteerde leraren bij Kroon stond positief tegenover communicatieonderwijs, maar slechts 36% zei het in praktijk te brengen. (Voor grammaticaonderwijs lag het juist andersom: 49% tegen 65%.) En Damhuis en anderen constateerden dat de leraren de functionele schrijfopdrachten die zij prefereerden, zelden gaven: ze rapporteerden over hun eigen praktijk als typisch traditioneel opstelonderwijs met veel taaltechnische oefeningen.

Er gaapt klaarblijkelijk een flinke kloof tussen wat leraren zeggen te willen met hun taalvaardigheids-onderwijs en dat wat ze zeggen te doen, zoals Tanja Janssen en ik twee jaar geleden ook al naar voren brachten op deze conferentie, in Antwerpen, op grond van onze inventarisatie van empirisch onderzoek naar het voortgezet moedertaalonderwijs in Nederland. En niet alleen voor het taalvaardigheidsgedeelte van het onderwijs Nederlands geldt dit, maar evenzeer voor het taalbeschouwings- en literatuurgedeelte (Janssen en Bonset, 1987, pag. 103 e.v.) Die kloof tussen wat leraren zeggen te willen,

48

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties