taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 4

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Hugo de Jonghe
1990
228 pagina's

vereist, zodra ze niet begrepen wordt en dat deze beschouwing de vorm kan aannemen van een grammatisch betoog (cf. Stutterheim, 1954: h.8). Daarmee is overigens nog niets gezegd van het soort grammatica die nodig is noch van de inrichting daarvan. Wel, dat grammatica, gedefinieerd als: een theorie van taal, van nut kan zijn. Men moet daarbij in het oog houden, dat grammatica voor mij niet gelijk is aan traditionele grammatica, zoals wel gedacht wordt (cf. Leidse Werkgroep, 1986: 480), maar aan wat taalkundigen aan theorieën hebben over taal. De traditionele grammatica is zo'n theorie, maar dan een die achterhaald is. Mijn grammatica zal ik in dit artikel nog nader invullen. (Zie Van Calcar, 1988 voor een wetenschapstheoretische verantwoording ervan.)

Een tweede argument is, dat beschouwing van taal, zodra zij onderwezen wordt, behoefte heeft aan regels. Toen mijn kinderen hun taal verwierven, leerden zij mij taalbeschouwing (Van Calcar, 1972). Dankzij hun speelzucht ontdekte ik, wat taalbeschouwing voor de tweede taalverwerving kon betekenen. Maar met het klimmen der schooljaren verdween hun geneigdheid over taal te praten. Ze werden zelfs boos, als ik ze daarmee lastig viel. Andere ouders vertelden mij hetzelfde verhaal. Mijn (psychologische) verklaring geef ik graag voor een andere, maar tot zo lang denk ik, dat hun latere afwijzing samenhangt met de aard van taalbeschouwing in de eerste taalverwerving: ze is dan nog een spel. Taalbeschouwing is reflectie over het gebruik van taal. Met het volwassen worden leren zij, dat mensen daar niet van gediend zijn.

Pas wanneer spel omgeven wordt door regels of ernst de vorm aanneemt van wetenschap, wordt het bedreigende dat taalbeschouwing kan zijn, weggenomen. Bovendien, wie uit zich zelf niet gauw tot reflectie overgaat, die kan het geleerd worden, als er iets van een theorie is. Voor wat taalbeschouwing betreft, is er al zo'n theorie, namelijk de grammatica.

Derde argument is, dat alle leraren opgevoed zijn met grammatica: als kind, in het voortgezet onderwijs en nog eens op het instituut voor opleiding tot leraar of aan de universiteit. Een mens hoort niet graag, dat wat hij tot dan toe - en soms met heel veel moeite - geleerd heeft, onzin is geweest en dat hij verstandiger dient te zijn. Hij kan moeilijk zijn hele verleden, zijn pijn en moeite als om niet beschouwen. Hij zal met meer vertrouwen vasthouden aan het oude, wanneer definitieve bewijzen dat hij ongelijk heeft met grammatica te geven, ontbreken. Daarom, als de grammatica waarmee wij zijn opgevoed, tot taalbeschouwing kan leiden, dan moet die weg om tactische redenen gegaan worden. Grammatica kan dat, als zij aan bepaalde voorwaarden voldoet.

Een argument dat hierop aansluit luidt, dat taalbeschouwing die geen grammatica is, wantrouwen wekt. Men doet er in het onderwijs niet aan. Het respect dat taalbeschouwing geniet, is een academisch respect: van universitaire docenten, en mensen uit de verzorgingssfeer. Zij zijn het die taalbeschouwing bepleiten, maar wat als zodanig wordt aangeboden, blijft veelal steken in voorbeelden van taalbeschouwing, zonder dat rekening wordt gehouden met de afstand tussen theorie en praktijk (cf. Van Calcar, Clemens e.a., 1984). Die afstand vraagt om een strategie die haar kan overbruggen (Roger, 1988). De strategie die ik bepleit, is dat grammatica tot taalbeschouwing wordt en vervolgens wordt

66

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties