taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 4

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Hugo de Jonghe
1990
228 pagina's

uitgebreid tot wat taalbeschouwing in haar meest ontwikkelde vorm kan zijn: een vorm van taalbeheersingsonderwijs (cf. Leidse Werkgroep, 1986: 482).

Er is nog een andere tactische reden, als vijfde argument. Wanneer leerlingen en studenten het treffen met hun school- of studieboek kunnen zij daaruit op een didactisch verantwoorde wijze leren, hoe een taal in elkaar zit. Ik kan daarvoor verwijzen naar mijn eigen werk (Van Calcar, 1983). Maar de praktijk leert, dat wat de studenten die docent zijn geworden hun leerlingen geven, de grammatica is die zij zelf als leerling op de basisschool of in het voortgezet onderwijs hebben gehad, niet de grammatica die zij meer recentelijk verworven hebben. Mijn verklaring voor dit verschijnsel is, dat ook in het gunstigste geval grammatica op school los staat van de rest van het onderwijs in het Nederlands, zodat een fundament en daarmee een wezenlijke motivatie ontbreekt om iets nieuws in te voeren: men heeft grammatica zelf zo gehad, collega's doen het zo en het boek doet het zo.

Wanneer mijn beschrijving van de situatie juist is, dan zou een oplossing voor het probleem van vernieuwing zijn, dat de grammatica die op school gegeven wordt, uitgebouwd wordt tot taalbeschouwing en taalbeschouwing tot deel van het taalbeheersingsonderwijs. Mijn stelling is, dat dat kan.

3. Taalbeschouwing als keurmerk

Taalbeschouwing is voor mij een keurmerk als het gaat om de beoordeling van grammatica's voor het onderwijs. Die grammatica is goed, die taalbeschouwend van aard is; deze noem ik een onderwijsgrammatica (Van Calcar, 1984). Maar taalbeschouwing is voor mij evenzeer een keurmerk, wanneer het gaat om de beoordeling van andere onderdelen van het vak Nederlands op school (Van Calcar, 1975: 57). Wat ik daarmee bedoel, kan ik duidelijk maken door een aantal rubrieken te lichten uit een algemeen verbreid schoolboek in Nederland: Functioneel Nederlands 1 VHM. De hoofdstukken zijn uniform opgebouwd. Het begin vormt een zogenaamde uitgangstekst, waarna aandacht besteed wordt aan tekstbegrip, luisteren, woordkennis, discussie, spraakkunst, spelling en creativiteit.

Onder tekstbegrip worden zaken gegeven als: woorden en uitdrukkingen; de verwijzende functie van voornaamwoorden; de opbouw; bedoeling van de schrijver; eigen mening. Onder woordkennis: synoniemen, tegenstellingen, spreekwoorden, homoniemen, vaste voorzetsels, vaste vergelijkingen. Over deze zaken wordt de leerling in feite niets geleerd: het boek geeft hem uitleg van een verschijnsel die de naam niet verdient, om de leerling vervolgens een controleoefening te laten maken; meer niet. Het leert hem niet zijn kennis van de taal te ontwikkelen, b.v. door hem inzicht in een verschijnsel te geven en hem er vervolgens mee te laten omgaan. Duidelijk komt dat tot uiting in de aard van de opdrachten. Deze luiden b.v.:

Wat betekent dit woord?

- Waarnaar verwijst dat woord?

- Hier 'staan twee rijen van tien woorden; zoek twee aan twee de synoniemen.

67

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties