taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 4

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Hugo de Jonghe
1990
228 pagina's

- Vul het vaste voorzetsel in.

- Schrijf van de volgende woorden op wat de vaste vergelijking is.

De leerling die hierop antwoord geeft, kan het goed hebben of niet, maar iets geleerd heeft hij nog niet. Hij heeft wel wat gedaan. Het leren begint pas, wanneer de leraar de oefeningen nakijkt, hier en daar fouten aanstreept en de leerling er nog eens naar laat kijken. Maar ook in dat geval is nog niet eenvoudig vast te stellen, wát de leerling geleerd heeft. Kunnen we b.v. zeggen, dat hij zijn kennis van het Nederlands ontwikkeld heeft? Hij weet nu iets meer, in het gunstigste geval, dat wel. Maar taalverwerving of taalontwikkeling is iets anders dan vergroting van kennis van woorden en uitdrukkingen. Wat geleerd is, moet deel gaan uitmaken van de taal die iemand gebruikt. Wanneer we dat nastreven, dan ligt een volgende aanpak meer voor de hand.

In plaats van naar de betekenis van een aantal vreemde woorden te vragen heeft het door mij gewenste schoolboek de woorden verzameld die de inhoud uitmaken van de uitgangstekst, dus de woorden die typisch zijn voor het onderwerp, in het gegeven geval van Functioneel Nederlands dierentehuizen of asiels (hoofdstuk 1). In vervolg daarop streeft het boek ernaar de kennis van het onderwerp te vergroten. Dit doet het door begrippen die met het onderwerp samenhangen uit te diepen, en woorden aan te leren waarmee de begrippen verwoord kunnen worden. In vervolg daarop geeft het synoniemen van die woorden en behandelt vergelijkingen die met het onderwerp te maken hebben. Op die manier worden overbekende oefeningen in een zinggevend verband geplaatst.

Evenzo, in plaats van vaste voorzetsels op gegeven puntjes in te vullen, zoals de gebruikelijke oefening luidt, vraagt het boek de leerling, werkwoorden uit de tekst te nemen die een vast voorzetsel hebben, om daarmee zelf zinnen te maken die over het onderwerp van de tekst gaan. Of het boek geeft zelf werkwoorden en vraagt daarmee zinnen te maken over het gegeven onderwerp. Op deze manier is ook aansluiting gemaakt bij de grammatica, met name bij het onderscheid tussen voorwerp en bijwoordelijke bepaling.

Tenslotte, het boek vraagt niet: Waar verwijst dit woord naar?, maar b.v. Onderstreep alle woorden die asiel of een van zijn synoniemen herhalen. In dat geval is de leraar niet bezig met een controle, maar leert de leerling zijn eigen begrip van de tekst te controleren.

Kortom, wat de grammatica wordt aangewreven is van toepassing op heel het taalonderwijs: leerlingen houden zich bezig met het maken van controleoefeningen die hun kennis moeten toetsen die door het boek zelf niet of nauwelijks wordt aangebracht. Een taalbeschouwelijke benadering kan daarin verandering brengen. Vandaar de leus die al vroeg in de geschiedenis van de taalbeschouwing is aangeheven: taalbeheersing = doen, taalbeschouwing = denken over doen (Van Calcar & Van Calcar, 1975: 28; zie nu Griffioen, 1982: 30). Vandaar ook titels als Taalbeheersing + Taalbeschouwing = Onderwijs in het Nederlands (Aalberts, 1974), Een ander Nederlands: Taalbeschouwing (Bonset, 1975) en Nederlands: eenheid van taalgebruik en taalbeschouwing (Van Calcar & Meddens, 1976).

68

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties