taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 4

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Hugo de Jonghe
1990
228 pagina's

Rest mij de vraag, wat taalbeschouwing is, voor ik laat zien, wat grammatica vermag op de gebieden van schrijven, verbeteren en begrijpen van teksten.

Behalve om te praten over de wereld om hen heen gebruiken mensen de taal ook om te praten over de taal die zij gebruiken en over de manier waarop zij dat doen. Ieder kent daar voorbeelden van uit zijn of haar eigen praktijk: Schreeuw niet zo tegen me! Is dat een vraag? Je legt me dingen in de mond die ik helemaal niet zeg! Dan mag jij zeggen wat je bedoelde! We spreken hier van meta-communicatie (Bonset, 1975; Van Calcar, 1987). Taalbeschouwing is de professionele vorm van meta-communicatie te noemen, inzoverre zij door onderwijsmensen gepropageerd en ontwikkeld wordt tot een algemeen bruikbare methode. De taalgebruiker legt zich rekenschap af wat hij of een ander zegt dan wel gaat zeggen op de vier gebieden die we ten aanzien van taal kunnen onderscheiden: fonologie/spelling, syntaxis, semantiek en pragmatiek. Hij doet dat met kennis van zaken. Daarmee bedoel ik, dat hij in zijn uitspraken over taal en taalgebruik een beroep doet op regels. Twee voorbeelden hiervan, op het gebied van de semantiek en van de pragmatiek.

Iemand noemt een ander betrouwbaar, hetgeen door een derde ontkend wordt, met als gevolg dat het woord betrouwbaar ter discussie staat en beide mensen moeten aangeven, wat het woord voor hen inhoudt. Met name moeten ze antwoord geven op de vraag: aan welke voorwaarden (regels) moet iemand voldoen om betrouwbaar te mogen heten. Dit soort voorbeelden kunnen onbeperkt worden aangevuld vanuit de praktijk van het taalgebruik: wat is er voor nodig, voordat ik iemand fascistisch noem, een liberaal, een anti-semiet, een (echte) politicus.

Iemand kan een ander steeds vragen stellen in de trant van: Is de deur dicht? Is er nog genoeg olie in het carter? Waar zijn de sleutels? Doet de bel het nog? Heb je water bij je? Een reactie van wie zo aangesproken wordt, kan zijn: je doet, alsof ik dat allemaal behoor te weten of daarvoor gezorgd moet hebben. Een repliek is mogelijk: ik vraag het alleen maar. Waarop de triptiek kan volgen: wanneer iemand iets vraagt, gaat hij ervan uit dat de ander antwoord kan geven, dus een vorm van verantwoordelijkheid in deze heeft. Je kunt je vragen ook anders formuleren, b.v.: ik heb niet gekeken, of de deur dicht was, jij? Of: ik heb de sleutels ergens neergelegd, maar kan ze niet meer vinden; weet jij ze? enz. Wie zo reageert, gebruikt taalbeschouwing om tot een betere verstandhouding te komen.

Het begrip van wat gezegd wordt, maakt deel uit van die verstandhouding; eveneens de poging tot herformulering, wanneer taalgebruikers voor elkaar niet duidelijk zijn. Taalbeschouwing omvat dan ook bevordering van zowel de lees- en schrijfvaardigheid als van de spreek- en luistervaardigheid.

Ik beperk me hier tot lezen en schrijven.

69

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties