"goed"." - Het volgende voorbeeld is representatief voor de zestien zinnen waar het schoolonderzoek uit bestond. Na het voorbeeld laat ik de grammatische procedure volgen die een leerling kan helpen de zin te onderzoeken op eventuele fouten. Daarna bespreek ik, wat de procedure aan het licht heeft gebracht. Let wel, ik beweer niet, dat een leerling dergelijke fouten moet kunnen opsporen, maar wel: dat als een leraar meent dat hij ze moet kunnen aanwijzen in een gegeven zin, dat hij hem dan ook een methode in handen moet geven die hem daarbij helpt.
Geen van allen waren tevreden met de hulp die hen voor een week terug geboden werd.
-
iemand was tevreden met iets
-
geen was tevreden met de hulp
-
welke geen? Geen van allen
welke hulp? Die hen voor een week terug geboden werd a. iets werd (aan) iemand geboden
b.de hulp. (=die) werd hun/aan hen geboden
c. wanneer? een week terug
voor hoe lang? voor een week
Een leerling zal niet meteen uit zichzelf tot dit resultaat komen, maar hij kan het leren. Daarvoor heeft hij kennis van het Nederlands nodig. Of hij heeft deze kennis al en in dat geval dient de methode, om deze kennis te activeren. Of hij heeft deze kennis niet en dan is het de taak van de leraar, hem te leren, b.v. dat geen de kern is van de woordgroep geen van allen, en dat de kern het getal van de persoonsvorm bepaalt; dat we volgens sommige taalregelaars in de schrijftaal als vorm van het meewerkend voorwerp hun gebruiken, maar na een voorzetsel de vorm hen (Hermkens, 1970: 32); dat bepalingen antwoord geven op een vraag en dat het vraagwoord een aanduiding geeft van de juiste vorm van de bepaling. In het gegeven voorbeeld moet hij dan ook kiezen tussen de vraag wanneer? of voor hoe lang? en overeenkomstig antwoorden. Voor meer voorbeelden, zie Van Calcar 1989a, b.
Natuurlijk, dit zijn de fouten die door anderen zijn gemaakt, of misschien wel voor de gelegenheid door de schoolonderzoeker in elkaar gezet. Maar een leerling maakt ook zelf stijlfouten en zijn leraar streept ze aan. In dat geval zal hij een manier moeten hebben, om te zien, wat hij fout heeft gedaan. Eveneens is hij gebaat bij een methode, wanneer hij zelf aarzelt, of een door hem geschreven zin wel goed is.
4.3. Grammatica en tekstbegrip
Goede lezers stemmen én hun manier van lezen én de mate van hun tekstbegrip die zij willen bereiken, af op hun doel. Die afstemming kan als volgt tot uiting komen. Zij activeren relevante kennis, zowel van het onderwerp in kwestie als van taal en taalgebruik. Zij gebruiken deze kennis in combinatie met tekstgegevens als titel, kopjes, indeling, zinnen die eruit springen enz., om
verwachtingen op te wekken, niet expliciet gegeven informatie uit de tekst af te
72