taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 4

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Hugo de Jonghe
1990
228 pagina's

leiden en conclusies te trekken. Daarnaast richten zij hun aandacht op de vaststelling van hoofdzaken en evalueren zij de inhoud op interne consistentie. Tenslotte houden ze in de gaten, of ze de tekst nog steeds begrijpen en werken onbegrip weg door herlezen, door samenvatten van tekstdelen of door zichzelf vragen te stellen. Tijdens het lezen zullen zij zich nauwelijks bewust zijn van deze handelingen. Pas wanneer ze het door hen gestelde doel niet bereiken of op onbegrip stuiten, zullen zij genoemde handelingen bewust uitvoeren, b.v. als volgt (Henneman & Van Calcar, 1988):

zij proberen moeilijke woorden meer vertrouwd te maken, door gebruik van context of door afleiding op basis van hun morfologische en etymologische kennis;

zij leggen verbanden, b.v. met behulp van de vraag: wat heeft de voorgaande uitspraak te maken met de volgende?

zij stellen vast, van welke handeling in een geven passage sprake is, b.v. met behulp van de vraag: wat doet iemand die dat zegt, op deze plaats in de tekst?

zij activeren kennis van zinsstructuren, b.v. met behulp van topische vragen vanuit het gezegde van de zin: iemand vraagt iets. Waarom? Met welk effect? Om wat te bereiken?

zij stellen samenhang vast b.v. door na te gaan, op welke vraag een stuk tekst een antwoord is.

Een voorbeeld ter illustratie. De Nederlandse politicus drs. R. Lubbers uitte zich bij gelegenheid als volgt: "Welnee, er is als het ware, het wordt soms met "no nonsense" aangeduid, soms met andere typeringen van pragmatisme, maar er is meer een houding van analyse en luisteren. (...) De paradox zit hierin, naar mijn gevoel, dat daar op zichzelf een hele duidelijke ideologie onder zit. Men mikt als het ware op het ideële zoals het op het grondvlak tot stand kan komen. Niet gewoon mooipraterij, uitgaan van realiteiten om het zo maar eens te zeggen. En tegelijkertijd daar niet helemaal bij stil te staan. En zo nu en dan open te staan voor de sprong, voor de mutatie, voor de kwalitatieve verandering, de grensverlegging. Dan komt het hart erbij. Dat is natuurlijk een buitengewoon boeiend spel." (De Groene Amsterdamer 23.8.89, p. 23)

Om greep op de tekst te krijgen ben ik overeenkomstig de leestheorie die ik hierboven schetste, op de volgende manier te werk gegaan.

Er is iets. Wat? no nonsense, pragmatisme (anderen), een houding (ik).

Er zit een hele duidelijke ideologie onder. Waaronder? Onder die houding. Iemand mikt op iets. Op wat? Op het ideële dat op het grondvlak tot stand kan komen. Wat is het verband met het voorgaande? Welke vraag kan ik stellen om dat verband op te roepen? B.v.: hoezo? Hoezo zit er een ideologie onder? Nou, men mikt op... Maar wat bedoelt Lubbers met grondvlak. Er staat: ONDER die houding is een ideologie en die ideologie komt OP een grondvlak. Misschien is er verwarring van onder en boven, en bedoelt de spreker: die houding is het grondvlak waaronder een ideologie schuil gaat en die steunt op die houding; in dat geval is er sprake van een contaminatie.

73

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties