taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 4

Vierde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Hugo de Jonghe
1990
228 pagina's

Het nut van de geschetste analyse is, dat de leerling uitgaat van de kennis die hij al heeft, en tegelijkertijd kan vaststellen, wat hij nog niet weet, met name wanneer hij op bepaalde topische wagen geen of onvoldoende antwoord kan geven. Naar die antwoorden kan hij op zoek gaan, zodat hij zijn kennis aanvult en ontwikkelt.

De grammatische vaardigheid waarvan de leerling gebruik maakt, is opnieuw dat hij aan een gezegde met diens noodzakelijke aanvullingen vragen stelt, die aanvullende betekenissen opleveren en daarmee de gegeven handeling of toestand opnemen binnen een groter geheel van de werkelijkheid.

4.5. Grammatica en tweede-taalverwerving

Wie door onderwijs Nederlands leert als tweede taal, leert onder meer zinnen maken. Hij kan daarbij geholpen worden met een procedure die gebruik maakt van de grammatica. Ik kan dat laten zien door een opdracht aan te halen die een van mijn collega's geeft aan tweede-taalleerders. Deze opdracht, die een toepassing is van Adriaensen-Busch 1984: 206 en Van der Ree 1983: 101, is de volgende.

Neem een handeling, gebeurtenis of toestand in je hoofd. Geef die een naam. Je hebt dan een werkwoord. Gebruik dat werkwoord. Hoeveel aanvullingen heb je nodig om dat werkwoord uit te drukken? Noem ze. Ga dan verder, door beantwoording van de vragen: waarom? hoe? wanneer? waar?

Afhankelijk van het niveau wordt de opdracht aangepast, b.v. als volgt. Op een tafel liggen kaartjes met de namen van allerlei handelingen, toestanden of gebeurtenissen, dus met werkwoorden. De tweede-taalleerder neemt er een uit. Hij kiest vervolgens uit een andere groep van kaarten een kaart met de naam van een persoon, dier of voorwerp en combineert die met de eerste. Een handeling enz. heeft immers tenminste altijd één aanvulling. Daarna moet hij beslissen, of dat voldoende is. Is er sprake van lopen als er iemand voortschrijdende bewegingen maakt? Ja! Is er sprake van slaan als er iemand zijn handen uitsteekt ? Nee, daarvoor heb je er twee nodig: Mieke slaat haar man. Enz. Tenslotte kiest hij aanvullende betekenissen uit verschillende stapels kaarten die gerubriceerd zijn m.b.v. vraagwoorden: waarom?, waar? , wanneer?, hoe? enz.

Op deze wijze leert de tweede-taalleerder - uitgaande van zijn kennis van de werkelijkheid - de structuur van een Nederlandse zin verkennen; doet ervaring op met wat semantisch wel en niet mogelijk is; kan onderwezen worden in de morfologische veranderingen die door bepaalde combinaties vereist worden, kan vanuit de rechte volgorde van de zin oefenen met inversie en alle mogelijke verplaatsingen binnen het geheel van de zin, enz.

75

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties