4.6. Grammatica en spelling
De spelling van het werkwoord vraagt veel aandacht binnen het geheel van het spellingsonderwijs (cf. Van Peer, 1982: 7; Assink, 1980: 768; Van Calcar, 1979: 205). In verband daarmee wordt in elk geval de combinatie van onderwerp en gezegde behandeld, of in een andere terminologie: de eerste noodzakelijke aanvulling van de gegeven werkwoorden. Deze behandeling brengt met zich mee, dat ook bij de spelling uitvoerig over het werkwoord gesproken moet worden: wat werkwoorden zijn, waarvoor ze dienen, wat ze betekenen. Ik zou in mijn uitleg uitgaan van de werkelijkheid: werkwoorden drukken een handeling enz. uit; wanneer je zo'n handeling wil uitbeelden, heb je daarvoor "spelers" nodig, in elk geval één; deze ene is bepalend voor de vorm van het werkwoord, enz.
5. Van oude naar nieuwe grammatica
Om van grammatica naar taalbeschouwing te komen is een nieuwe grammatica nodig. Ik wil geen weg wijzen, zonder niet tevens op zijn minst aan te duiden, hoe een leraar deze nieuwe grammatica kan bereiken vanaf de plek waar zij, hij zich bevindt.
De oude situatie is in het algemeen dat leerlingen een vorm van de traditionele grammatica onderwezen krijgen, waarbij de volgorde is: persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp. Hierna kunnen variaties optreden: eerst het naamwoordelijk gezegde, dan de bepalingen of omgekeerd; vervolgens het meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp. Een nadeel van de volgorde is, dat het begrip persoonsvorm veel te abstract is en niets zegt over de structuur van de zin; een nadeel van de opsomming is, dat een leerling kan menen, dat de genoemde zinsdelen in elke zin kunnen voorkomen.
Een leraar kan van oud naar nieuw komen, wanneer hij met zijn leerlingen praat over het werkwoord als een handeling, gebeurtenis of toestand die een, of meer spelers of betrokkenen vragen, in elk geval een speler die onderwerp wordt genoemd. (De vorm die het werkwoord dan aanneemt, heet persoonsvorm). Afhankelijk van het soort werkwoord treedt er wel of geen voorwerp op; en afhankelijk van de aanwezigheid van een voorzetsel, is dat voorwerp een lijdend of een voorzetselvoorwerp. Enz. Een voordeel van deze gang van zaken is, dat een leerling meteen al iets leert over structuren, dus ook van te voren weet, wat hij in een zin kan verwachten en niet meer, zoals vaak gebeurt, naar een lijdend voorwerp zit te zoeken, terwijl dat er gewoonweg niet in kán staan. Hij gaat namelijk uit van wat hij op basis van het gegeven werkwoord mag verwachten. Tegelijk wordt het nieuwe zo met het oude verbonden, dat de bekende, traditionele benoemingen als vanzelf kunnen verschijnen. Uit deze korte aanduiding kan blijken, dat de weg van oud naar nieuw niet zo lang hoeft te zijn. Uitvoeriger heb ik de te volgen weg aangegeven voor basisschool- en brugklasleraren in Moer: "Een ander tekstonderwijs: een andere grammatica" (1981), waarnaar ik dan ook verwijs voor een uitvoerige toelichting en verantwoording.
76