'huilen' en 'wenen' voor de mens dikwijls als synoniemen gebruikt. Maar voor een hond klinkt 'wenen' te menselijk en eigenaardig. De volgende voorbeelden zijn onbetwistbaar metaforisch!
Met deze zinnetjes wordt duidelijk dat de overgang van niet-metafoor naar metafoor zeer geleidelijk, nauwelijks merkbaar kan verlopen. Er zijn m.a.w. heel wat uitdrukkingen te vinden in de taal waarbij je twijfelt of je met een metafoor of niet te maken hebt, zoals b.v. 'de aarde beeft', 'de jongen draaft door de straat'.
Vele van deze twijfelgevallen zijn ook ambigu in de interpretatie. De hond huilt: wordt er gezegd dat de hond zijn normaal verwacht geluid voortbrengt of drukt hij werkelijk zijn verdriet uit? Beeft de aarde zoals bij een aardbeving of staat b.v. de aarde te trillen van schrik? Loopt de jongen gewoon door de straat of loopt hij werkelijk zoals een paard draaft? Deze dubbelzinnigheid wordt gewoonlijk efficiënt en eenvoudig opgelost door zich de vraag te stellen: is dit letterlijk of figuurlijk te verstaan?
Maar er zit nog een addertje onder het gras van deze voorbeelden. Wij hebben ze onbewust geprojecteerd op een standaard-context, op onze alledaagse kennis van de wereld. Maar veronderstel dat zinnen als 'de hond spreekt', 'discuteert' voorkomen in een sprookje of een science-fiction verhaal, dan verliezen ze hun figuurlijk en metaforisch karakter. Of een uitspraak dus metaforisch is, wordt mee bepaald door de context en het wereldbeeld dat wordt opgeroepen. Met context bedoelen we hier zowel de omgevende tekst als de situatie waarin de uitspraak voorkomt. Een zin als 'de rots is aan het wankelen' is op zichzelf niet opvallend of metaforisch, maar wordt het in een situatie waarin sprake is van een oude leraar die niet meer de touwtjes in handen heeft zoals vroeger.
Iets verrassends, iets ongewoons maakt ons attent op een metafoor, maar of het verrassend is, hangt in grote mate af van de vertrouwdheid met de gegeven uitspraak: een veel gehoorde, in het lexicon opgenomen uitdrukking verliest vlug haar metaforisch karakter. Wij verstaan ze onmiddellijk, de betekenis is terstond toegankelijk. Dat is niet gebonden aan het onderscheid figuurlijk/letterlijk want een zegswijze als 'hij zit in de put', 'hij leeft in een glazen huis' en vele andere worden bijna uitsluitend figuurlijk gebruikt en zij brengen nog nauwelijks enige verrassing teweeg.
Samenvattend kunnen we voorlopig zeggen dat volgende elementen ons op het spoor brengen van een metafoor:
er is iets dat ons opvalt, verrast in een uitdrukking. Dat is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor een metafoor-herkenning want ook andere taalaspecten als fouten, dwaasheden, humoristische uitspraken enz. kunnen ons verrassen.
- als we een metafoor kunnen aanwijzen, blijkt die uitdrukking altijd een vorm van indirect en figuurlijk taalgebruik te zijn.
9