taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 5 | Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1992)


Bijdrage: Moedertaal tussen theorie en praktijk in het MBO (Mariet van Goch)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

  1.    D:   De rest, let even op, de rest gaat werken aan oefening 26 en 27.

  2.    mU:   Zo zijn de mannen.

  3.   D:   Oefening, ik zal daar even iets over zeggen:

mT:   Nou ja, mannen?

  1.   D:   oefening 26 en 27, die hebben te maken mét verbanden.

  2.   (Enkele leerlingen praten fluisterend.)

  3.   D: Verbanden tussen woorden of tussen, binnen zinnen, moet ik zeggen. Verbanden tussen zinnen en verbanden tussen tekstgegedeeltes, zeg maar: verbanden tussen alinea's.

  4.   (Alle leerlingen zwijgen.)

  5.   D: Ik hoop dat je je realiseert, dat wanneer mensen praten, ze praten vanuit hun gedachten. Je moet eerst iets bedenken, voordat je het kunt formuleren.

  6.   (Enkele leerlingen praten fluisterend.)

  7.   D: Ik verwijs naar het stencil communicatie. Als je nou gaat kijken naar hoe mensen nou hun taal gebruiken, naar hoe mensen zinnen aan elkaar rijgen, dan blijkt dat daar eh nog wel enig systeem in aan te brengen is. Hoewel ik hier nog wel eens mensen aantref, die daar geen last van hebben, mogen we over het algemeen stellen, dat mensen die iets vertellen, daarin een duidelijke lijn kunnen brengen. Dat betekent dus dat je in staat bent om gedachten aan elkaar te koppelen, met elkaar te verbinden. Het stukje theorie gaat over verbanden en woorden die die verbanden aangeven, verbindingswoorden. Nou worden hier een stuk of tien soorten van verbanden aangegeven. En het is dus goed om die heel rustig te bekijken. Je moet begrijpen wat er staat. Je moet ook die voorbeeldzinnen eens bekijken, want als je dat goed tot je hebt laten doordringen, ook de verschillen die optreden, dan kun je rustig gaan werken in eerste

  8.   m?:   Maar...

  9.   D:   instantie aan oefening 26 en oefening 27. Voor mensen die nog correctievellen willen hebben,

  10.   mU:   Ja. (tegen m?) Geef mij jouw boek effe.

D:   die moeten dat nog eerst even doen. De rest

mV:   Ik wil wel zo'n vel

D:   kan eh meteen beginnen aan verbanden en verbindingswoorden.

  1.   mM:   D (voornaam), wat moeten wij nog kennen voor de proefwerkweek?

  2.   D:   Mm? Voor de toets?

  3.   ml:   Oh ja, dat zoude gij nog geven.

  4.   D:   Ja, dat zal ik dan ook maar meteen doen.

m+m+m+:Ja.

  1.   D:   Want anders dan eh, de vorige week is dat er ook tussendoor gefietst. Het komt heel simpel op het volgende neer" (0-5 SA 14; 32 - 15; 33). (Zie oefening 26 en 27.)

2   'Hieruit volgt': een tweede beeld van dezelfde praktijk

Maar zo leer ik er niks van als ik al die rijtjes af ga: een gebeurtenis in een les. 1.   jD:   D (voornaam), moeten we nou..

109

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties