taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 5

Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
1992
270 pagina's

van een stukje uit Jacinta dat gaat over bijgeloof bij de Indianen. De leerlingen vinden dit erg leuk en vragen aan de leraar of ze verder mogen lezen in het verhaal. De leraar wil echter eerst enkele tekstverklaringsvragen uit de werkmap beantwoorden. Een van de leerlingen sputtert een beetje tegen en zegt ietwat verongelijkt:

leerling: Ik vind dit net taal.

leraar.   Ja, het is net taal.

leerling: Net als Nederlands, maar dan anders. leraar:   Ja, het is anders, het heet ook bijles.

De leerling is blijkbaar in de war gebracht door de verhalen die de leraar naar aanleiding van het verhaal vertelt. Hij denkt dat de les iets anders is dan Nederlands. Als de leraar dan terugkeert naar het tekstverklaren weet de leerling niet meer precies wat voor soort les er gegeven wordt en zegt ze "Ik vind dit net taal". Door te zeggen "Het heet ook bijles" maakt de leraar de zaak er overigens niet duidelijker op...

Hoewel Jacinta specifiek geschreven is om gebruikt te worden in een of andere vorm van intercultureel onderwijs, moeten we vaststellen dat de tekst de leraar niet dwingt om ook daadwerkelijk interculturele elementen in zijn lessen op te nemen. Van de andere kant kunnen we echter ook stellen dat het feit dat de tekst bestemd is voor intercultureel onderwijs er in dit geval niet toe geleid heeft dat deze niet meer bruikbaar is voor lessen zonder specifiek interculturele lading. De teksten zijn met andere woorden tamelijk breed inzetbaar. In de lessen zoals gegeven op school W voegen de VADO-teksten dus niet automatisch een interculturele dimensie toe aan het onderwijs. Wanneer er toch interculturele elementen in de lessen zitten, zijn deze er door de leraar tamelijk willekeurig ingebracht, gescheiden van de eigenlijke hoofdzaak van de les.

Ter illustratie een voorbeeld van zo'n stukje waarin de leraar op school W even de eigenlijke les verlaat en ingaat op wat er in de tekst staat. De tekst in het boekje gaat over een vorm van bijgeloof, namelijk dat Peruanen veren onder hun hoofdkussen leggen om boze geesten af te schrikken. De leraar vraagt of de leerlingen dit soort dingen zelf ook kennen. De leerlingen reageren enthousiast op deze vraag. Ze verdringen elkaar om antwoord te geven.

leerling: Iets van ijzer onder je kussen leggen, dan komen er geen geesten.

leraar:   Is dat iets Marokkaans?

leerling: Ik geloof het wel.

leraar: Ik weet dat Turkse mensen vaak een soort blauw oogje dragen. Weet iemand wat dat betekent?

leerling: Tegen boze geesten.

leerling: Als, ze getrouwd zijn.

De leraar meent dat de eerste suggestie de goede is, en hij vertelt over het gebruik

11

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties