leraar: Bergen zijn vaak grenzen. leerling: Cultuurgrenzen.
De leraar legt uit dat aan de ene kant van het gebergte nee of ja knikken anders gaat dan aan de andere kant. Sommige leerlingen kennen dit verschijnsel uit eigen ervaring, zodat er even over gepraat wordt. We zien dat hier de tekst gelegenheid en aanleiding geeft om even uit te weiden. Een onduidelijkheid over een woordbetekenis (een component uit een les. Nederlands) wordt gebruikt om iets te vertellen over gewoonten in andere culturen, een intercultureel element.
Een factor die waarschijnlijk ook van invloed is op de inhoudelijke kant van intercultureel onderwijs, is de samenstelling van de klas. Zoals al eerder gezegd verschillen de twee geobserveerde klassen nogal van elkaar. De klas in school W bestaat voornamelijk uit Nederlandse leerlingen terwijl de klas in school Z uitsluitend uit oorspronkelijk niet-Nederlandse leerlingen bestaat. Het blijkt dat er in een klas waar leerlingen van veel verschillende nationaliteiten bij elkaar zitten meer aanknopingspunten voor een interculturele invulling van lessen voorhanden zijn. Er zitten in zo'n klas immers leerlingen die aan den lijve ondervonden hebben wat het betekent om uit een andere cultuur te komen, die de inhoud van veel van de verhalen in meer of mindere mate zelf kunnen navoelen. Bij een klas met alleen of voornamelijk autochtoon-Nederlandse kinderen is dit niet of veel minder het geval. In een dergelijke klas zal een leraar veel meer zelf moeten aandragen, omdat de leerlingen geen of minder kennis van zaken hebben. Hoewel het officiële uitgangspunt van intercultureel onderwijs is dat het voor alle leerlingen en alle klassen ongeacht de etnische samenstelling belangrijk is, lijkt het erop, dat lessen in klassen met veel allochtone leerlingen eerder en haast automatisch iets intercultureels krijgen omdat het gezelschap zelf 'intercultureel' is (4).
Ter illustratie van de geobserveerde verschillen in de manier van inhoud geven aan het principe van interculturaliteit, volgen hierna de inleidingen die beide leraren gaven bij het begin van de lessenreeks.
De leraar in school W begint de les met een korte introductie. Hij vertelt dat de leerlingen naast spelling en ontleden ook teksten krijgen. Deze teksten komen uit een boekje dat, zo zegt de leraar, ook geschikt is voor buitenlandse kinderen. De leraar leidt het verhaal in met een vraag:
leraar: Weet iedereen waar Peru ligt?
leerling: In Zuid-Amerika.
leraar: Is het een groot of een klein land?
leerling: Aardig groot.
leraar: Ja, aardig groot. Ik heb me toevallig twee weken geleden laten vertellen dat het zo groot moet zijn als van Noorwegen tot aan Noord-Afrika toe. Dan kun, je je het ongeveer voorstellen, dat is onder Spanje. Dat heb ik ook nooit gewèten maar zo groot schijnt het te zijn. Ik was toevallig bij een, dat heb ik ook bij me een klein foldertje, bij een tentoonstelling in Brussel over de Inca's. Hebben jullie ooit van Inca's gehoord, misschien wel eens bij aardrijkskunde en geschiedenis gehad.
13