Bundel 5 | Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1992)
Bijdrage: Taalvaardigheid Nederlands: hoofdvak of hulpvak? (Korrie van Helvert)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »
5. Een gedeelde verantwoordelijkheid?
Realiteit is dat specifiek taalgebruik binnen vaktalen geleerd moet worden. Tertiaire socialisatie van vakpersonen (pag. 148) noemt Sauer dit treffend, wat aangeeft dat het leren van een vaktaal gelijk te stellen is aan het verwerven van een nieuwe taal met specifieke conceptuele netwerken met de daarbij behorende verbale labels, taalconstructies en taalgebruiksregels. Elementen uit de algemene taal krijgen bijvoorbeeld een heel specifieke vakinterne betekenis zoals 'virus' in de computer, 'cel' in de biologie en 'weerstand' in de elektrotechniek.
Wie is verantwoordelijk voor het onderwijzen van (vak)taal aan leerlingen binnen het voortgezet onderwijs? De docent Nederlands zal -samen met de commissie Braet- zeggen: "Wij zorgen wel dat de leerlingen de fundamentele taalvaardigheden van de standaardtaal leren en de vakdocent is verantwoordelijk voor het onderwijzen van vakspecifieke taalaspecten". Voor zover het specifieke lexicale eenheden betreft kan ik daarin meegaan. Veel docenten Nederlands zouden, zoals mijn eerder genoemde collega's, niet eens in staat zijn een definitie te geven van het begrip hypotenusa. Laat dat maar aan de docent wiskunde over. Maar het aanreiken van leesstrategieën voor studieteksten met hun specifieke eigenschappen is mijns inziens op zijn minst een grensgeval. Het verbaast me dan ook dat Braet in de samenvatting van zijn lezing het bestuderen van studieteksten een functionele taalvaardigheid noemt die niet primair behoort tot het curriculum Nederlands. Welke teksten moeten dan beschouwd worden als 'algemene standaardtaalteksten'? Teksten die geschreven worden voor een algemeen lezerspubliek zoals kranteartikelen, tijdschriftartikelen, artikelen in populair-wetenschappelijke vaktijdschriften of, zoals nu in eindexamens tekstverklaring gebeurt, bewerkingen daarvan?
Terecht merkt Rijlaarsdam (1991) op dat het onderscheid functionele taalvaardigheden en fundamentele taalvaardigheid onwerkbaar is. Alle taalvaardigheden zijn in wezen fundamentele vaardigheden al dan niet toegepast in een functionele context. De transfer van fundamentele taalvaardigheden naar concrete en uiteenlopende taalgebruikssituaties is een inherent aspect van taalvaardigheid zelf en behoort dus tot de kerndoelen van het schoolvak Nederlands. Juist deze transfer levert voor tweetalige leerlingen vaak extra problemen op.
Tot besluit
Ik heb geen pasklare oplossing. Ik wil alleen bereiken dat docenten verder kijken dan hun eigen vakspecifieke neus lang is en leerlingen een geïntegreerd taalaanbod en taalonderwijs bieden, zodat het taalonderwijs enerzijds en de gestelde taaleisen in alle vakken anderzijds met elkaar in overeenstemming zijn. Zoals ik al aan het begin stelde is dit met name urgent voor tweetalige leerlingen die voor de verwerving van abstracte schoolse taalvaardigheden volledig aangewezen zijn op het taalaanbod in de school.
139