taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 5 | Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1992)


Bijdrage: Stellingen omtrent literatuuronderricht (Freddy de Schutter)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

kunnen leggen en moet in staat zijn het geheel te overzien.

  1. Aangezien een dag maar uit vierentwintig uur bestaat en de leerkracht literatuur zoals ieder mens maar gemiddeld zeventig jaar leeft, moet hij woekeren met zijn tijd en selecteren. Maximaal één vierde van zijn lectuur mag hij besteden aan didactische publicaties.

Iedere docent Nederlandse literatuur zou na ten laatste zo'n jaar of tien toch de gehele Nederlandse literatuur grondig gelezen moeten hebben. Niet alle teksten natuurlijk, maar iedereen zou toch kennis moeten hebben gemaakt met elk tijdvak van de Nederlandse literatuur. Aan de universiteit is de opleiding helaas niet helemaal wat ze zou moeten zijn. Een docent literatuur heeft het dus druk. Te druk om alle ontwikkelingen in de didactiek op de voet te volgen.

  1. De positie van de didactiek is te vergelijken met die van de filosofie in de middeleeuwen: ancilla theologiae. De filosofie was de dienstmaagd van de theologie. Evenzo kan en mag de didactiek nooit meer worden dan: 'dienstmaagd van de literatuur'.

De docent moet ook eens durven zeggen dat sommige dingen verouderd zijn en juist daaraan hun aantrekkingskracht ontlenen.

  1. Het belangrijkste thema waar wij in de komende jaren hard en intensief over zullen moeten nadenken, luidt: waar en wanneer moet de didactiek terugtreden en plaats maken voor de leerinhoud?

Moeten wij bijvoorbeeld de mystiek opzij laten liggen, omdat er didactisch zo weinig mee te beginnen is? Zelfde vraag voor bijvoorbeeld Hooft. Wijsheid en gezond verstand vormen bij het scheiden van het belangrijke van het bijkomstige een onmisbaar hulpmiddel. Ik pleit ervoor om de leerlingen niet te veel met literair-theoretische begrippen en inzichten te overdonderen. Ziehier enkele criteria die bij die uiterst gewichtige vraag gehanteerd moeten worden:

  1.    Kwaliteit. Dus wel Ruusbroec, Couperus, W.F. Hermans, ook al zal de gemiddelde leerling niet direct voor Ruusbroec warm lopen.

  2.    'Relevantie' in het literair-historisch gebeuren. Zo bijvoorbeeld Emants, die wel niet de beste romancier van de literatuur is, maar die dan toch het personele vertelstandpunt heeft uitgevonden.

  3.   Technische relevantie. Er is bijvoorbeeld heel wat te doen met de 'Trivialliteratur'. Maarten 't Hart of Ina Boudier Bakker (fervente 't Hart-bewonderaars mogen voor deze uitspraak desnoods streng komen bestraffen, wel graag vooraf uw komst aankondigen).

  4.    Multa: soms zullen we teksten moeten bestuderen die niet zo'n hoge toppen scheren, maar die nergens anders voorkomen.

Als u vindt, dat ik de zaken nogal rooskleurig voorstel, dan wil ik u graag geruststellen. Ook in mijn onderricht mislukken heel wat lessen. Daar hoeven we ons niet over te schamen. Zolang we onze hoofdopdracht maar niet uit het oog verliezen.

219

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties