dagelijks leven veel problemen opleverden). Ik noem ze op:
-
mondeling informatie vragen over ingewikkelde kwesties;
-
voor jezelf opkomen in conflictsituaties met hoger geplaatsten;
-
een zakelijk gesprek voeren of onderhandelen;
-
deelnemen aan een werkoverleg met hoger geplaatsten;
-
uitleg vragen en vragen beantwoorden tijdens cursus of opleiding;
-
mondeling tentamen of examen afleggen tijdens cursus of opleiding;
-
gesprek voeren met huisarts, specialist, maatschappelijk werkster.
Het gaat dus vooral om dialogen, om formele/zakelijke situaties, om mensen die iets over je te zeggen hebben uit de sfeer van het werk, de school of opleiding, of instanties. Aan zulke mondelinge dialoogsituaties werd tot op heden in het spreek-en luisteronderwijs weinig tot geen aandacht besteed: voorzover dat werd gegeven bestond het uit monoloog (spreekbeurt en dergelijke) en polyloog (discussie, debat en dergelijke). Misschien dat nu de basisvorming iets gaat veranderen. De Commissie Herziening Eindtermen, die de definitieve kerndoelen Nederlandse Taal heeft gemaakt, heeft als kerndoel 1 voor spreken en luisteren geformuleerd:
De leerlingen kunnen in situaties met een meer formeel karakter aan een dialoog deelnemen met het oog op
-
het geven of krijgen van de nodige informatie;
-
het weergeven van een eigen mening;
-
het overhalen van een gesprekspartner tot handelen.
(Naast dit kerndoel zijn er ook kerndoelen voor mono-- en polyloog geformuleerd.) Zo heeft voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs een beleidsmakende commissie goed gebruik gemaakt van onderzoeksresultaten. Datzelfde valt helaas niet te zeggen over de bovenbouw. De Glopper en Van Schooten deden in 1990 in opdracht van het Ministerie van O&W, en ten behoeve van het werk van de Commissie Vernieuwing Eindexamens Nederlands vwo/havo (CVEN), een behoeftenonderzoek onder docenten. Nederlands (havo/vwo), docenten Nederlands (hbo/wo), ex-leerlingen havo/vwo, werkgevers en ontwikkelde Nederlanders. Deze rapporteerden bij spreken relatief grote tekorten en bij luisteren relatief geringe. Het bleek dan vooral te gaan om toespraken, monologen, of gesprekken met een beschouwend of argumentatief karakter. Een heel ander type uitkomst dus dan in de onderzoeken van Bos en Blok/De Glopper, die we hiervoor bespraken. In hoeverre dat nu ligt aan de ondervraagde populatie, dan wel aan de vraagstelling van De Glopper en Van Schooten is lastig uit te maken.
De Glopper en Van Schooten vroegen dezelfde groepen, aangevuld met vakspecialisten, ook naar de wenselijke inhoud van de examens Nederlands. Spreken zou op havo/vwo een kleine 15%, luisteren een kleine 10% van de onderwijstijd moeten uitmaken. Een zeer ruime meerderheid (90%) wilde spreken opgenomen (blijven) zien in het eindexamen (schoolonderzoek Nederlands); een minder grote meerderheid (gemiddeld 67%) vond ditzelfde van luisteren.
33