Wie de definitieve CVEN-voorstellen bekijkt, zoals die te vinden zijn in bijvoorbeeld Moer 1991 nr. 4, ziet wat voor gebruik de CVEN van het onderzoek heeft gemaakt. Gekozen wordt voor spreken en luisteren in onderling verband in het schoolonderzoek, in de vorm van "beschouwende of uiteenzettende voordracht met vragen na, betogende voordracht met discussie na, debat e.d. en/of groepsdiscussie". Dit lijkt al meer op een willekeurige opsomming dan op een duidelijke keuze. Maar ernstiger nog is de toevoeging van de CVEN: 'Dit onderdeel is vooralsnog niet algemeen verplicht". Een raadselachtige zin. 'Vooralsnog niet" Maar straks dan wel? "Niet algemeen". Maar op sommige plaatsen dan wel? De vage formulering vertroebelt de eenvoudige waarheid: luisteren en spreken zijn nu nog steeds verplichte onderdelen in het schoolonderzoek, en de CVEN stelt in feite voor om die verplichting te schrappen. Een bijzonder slechte zaak voor het spreek- en luisteronderwijs, en een sterke negatie van de duidelijke uitkomsten van het behoeftenonderzoek van De Glopper en Van Schooten.
Ik wil nu ingaan op recent onderzoek naar de lespraktijk van spreken en luisteren. Daaruit blijkt dat leraren Nederlands er weinig tijd aan besteden. Van de door Van der Geest e.a. (1988) geënquêteerde havo- en vwo-leraren Nederlands doet een kwart niets aan spreekonderwijs en de helft niets aan luisteronderwijs. Gemiddeld wordt er aan spreken en luisteren samen waarschijnlijk niet meer dan 10 tot 15% van de lestijd besteed. Als er betere leer- en toetsmiddelen zouden komen, en kleinere klassen, zou 40% van de ondervraagde leraren nog steeds niet meer tijd voor spreek- en luisteronderwijs willen uittrekken.
In het schoolonderzoek Nederlands wordt de spreek-, respectievelijk luistervaardigheid door 10%, respectievelijk 28% van de ondervraagde leraren in het geheel niet getoetst, hoewel het wettelijk verplichte onderdelen zijn. Waar ze wel getoetst worden, wegen ze in het eindcijfer van het schoolonderzoek aanzienlijk minder zwaar mee dan literatuur, en amper zwaarder dan de niet verplichte maar toch in het schoolonderzoek opgenomen onderdelen tekstbegrip en stelvaardigheid. Ook wordt er steeds vaker een schoolonderzoekscijfer gegeven voor luisteren, spreken en literatuur samen (het mondelinge tentamen literatuur), waarbij de toetsing van luister- en spreekvaardigheid overstemd dreigt te worden door de toetsing van kennis en inzicht met betrekking tot literatuur (Schouw en Van der Geest 1987).
Wat doen de havo/vwo-leraren in de tijd die ze dan wel aan spreken en luisteren besteden? 55% laat spreekbeurten houden, gevolgd door vragen of discussie; iets minder dan 20% doet aan discussie of groepsgesprekken, 7% doet aan tweegesprekken tussen leerling en docent; minder dan 5% doet aan interview, debat, vergadering, rollenspel en toneel. 30% integreert luisteren met spreken, 40% oefent luisteren aan de hand van eigen teksten, 11 % aan de hand van tekstmateriaal van uitgevers en 12% werkt met CITO-toetsen.
Bovenstaande gegevens hebben betrekking op de bovenbouw. In de onderbouw is de situatie als volgt. Kuhlemeier en Van den Bergh (1989) stellen op grond van enquêtering van leraren Nederlands in derde klassen voortgezet onderwijs (van alle
34