taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 5

Vijfde conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
1992
270 pagina's

Er zijn bij het CITO 20 spreektoetsen ontwikkeld voor de monoloog en 20 voor de dialoog (Schreuder 1988). Bij de monoloogtoetsen gaat het om zaken als: uitleggen, argumenteren, toespreken, navertellen; bij de dialoogtoetsen bijvoorbeeld om: vragen stellen; tegenspreken, overtuigen per telefoon. Van Gelderen (1991) besprak de toetsen onlangs kritisch in Moer. U kunt ze nog altijd bestellen en beproeven in uw lespraktijk! Al veel langer bestaan er luistertoetsen voor de bovenbouw havo/vwo, eveneens ontwikkeld door het CITO. Deze veronderstel ik voldoende bekend bij de aanwezigen. Er zijn ook instrumenten ontwikkeld en uitgetest om spreek- en luisterprestaties mee te beoordelen. In 1969 ontwikkelden Aarts en Huynen al een beoordelingsschema voor de spreekbeurt. Rijlaarsdam en Bronkhorst (1983) ontwikkelden begin jaren 80 een beoordelingsschema voor de monoloog. Voor de discussie ontwikkelden en beproefden Simons (1976), Van Bezooijen (1979, 1981) en Rijlaarsdam (1982) beoordelingsschema's. U vindt al deze beoordelingsschema's weergegeven in Janssen/Bonset 1987.

Ik kom in dit overzicht van stand van zaken nu aan mijn eigen huidig métier: de leerplanontwikkeling. Sinds 1987 is het Project Nederlands VO-1 van de afdeling AVO van de SLO bezig een leerplan Communicatief Taalonderwijs te ontwerpen voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs. Binnen het werk aan dit overkoepelende leerplan wordt spreek- en luisteronderwijs gezien als een belangrijk ontwikkelthema. Het project stelt zich ten doel een uitgewerkt (deel)leerplan te ontwikkelen voor spreken en luisteren in de onderbouw, vergezeld van voorbeeld-lesmateriaal. Wellicht zal dit de kloof helpen dichten tussen wat wenselijk geacht wordt voor spreken en luisteren (blijkens het behoeftenonderzoek), en wat er feitelijk aan gedaan wordt (blijkens het onderzoek naar de lespraktijk). Wellicht: de 40% docenten uit Van der Geest e.a. (1988) die ook bij betere leer- en toetsmiddelen en kleinere klassen niet meer tijd aan spreken en luisteren zegt te willen besteden, moet ons afhouden van al te hoog gespannen verwachtingen. Anderzijds heeft er voor spreken en luisteren ook nooit enige leerplanconstructie en effectmeting daarvan plaatsgevonden, zoals Janssen en Bonset (1987) vaststellen, en kunnen we dus ook niet weten wat de resultaten daarvan zullen zijn. Een concretisering van spreek- en luisteronderwijs in leerplannen en leergangen, en een systematische beproeving daarvan in de lespraktijk zal ons in ieder geval wijzer kunnen maken over de praktische uitvoerbaarheid van zulk onderwijs.

Ten behoeve van ons ontwikkelwerk hebben we allereerst vooronderzoek uitgevoerd: een studie van Nederlandstalige literatuur over spreek- en luisteronderwijs, en drie case-studies naar 'meer dan gemiddelde' lespraktijken van spreek- en luisteronderwijs. (Boland/Slijpen, 1991; Boland e.a. 1991.) Bij de case-studies ging het om observaties van lessen, interviews met de leraar en enkele sectiegenoten, en bekijken van lesmaterialen, leerlingenwerk, sectiestukken, enz. De bedoeling ervan was eens goed te kijken wat er in het reguliere onderwijs mogelijk blijkt aan bijzonder spreek- en luisteronderwijs, en daar ons voordeel mee te doen bij het ontwikkelwerk. Ook door leraren ervaren knelpunten en problemen interesseerden ons uiteraard. De 'méér dan gemiddelde' lespraktijken hadden wij opgespoord via horen zeggen in het circuit. Ze speelden zich af op een mavo/havo/vwo-scholen-

36

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties