Een tweede project ging over sexualiteit en rolpatronen en resulteerde in zeven boekjes over dit onderwerp. Na deze twee projecten kwam er een poëzieproject bestaande uit vier boekjes over/met niet-Westerse poëzie uit Indonesië, de Palestijnse gebieden, Chili en Zuid-Afrika. De ervaringen uit dit poëzieproject zijn verwerkt in het daarop volgende leesproject, waar het boekje 'Jacinta, verhalen uit Peru' een onderdeel van is. In het kader van dit leesproject is vanaf het schooljaar 1985/1986 gewerkt aan een serie boekjes met interculturele en mondiale verhalen. De serie bestaat inmiddels uit zeven boekjes. Het betreft:
De school door Anne Fiddelaar (geschikt voor klas 1 ibo).
De reis naar Turkije door S. Gnes (voor klas 1 ibo/Ibo).
Jacinta, verhalen uit Peru door Ineke Lubsen (voor klas 1 lbo en klas 2 ibo). Best wel slank, en andere verhalen uitli Indonesië door Suzanne van Norden (voor klas 1 lbo/mavo en klas 2 ibo/Ibo).
Kinderen in Nicaragua, een reisverslag uit Nicaragua verteld door Jessika van Kammen, verkort opgeschreven door Anne Fiddelaar (voor klas 1 lbo/mavo en klas 2 ibo/lbo).
Peter en Dino, een verhaal over taal door Thea Doelwijt (voor klas 1 mavo/havo/vwo en klas 3 ibo).
Verhalen uit Crossroads, kinderen onder apartheid door Gladys Thomas (voor klas 1 en 2 lbo).
De meeste boekjes zijn gemaakt voor het lbo omdat men constateerde dat de beschikbaarheid van intercultureel/mondiaal-vormend lesmateriaal voor het lbo/ibo ver achterbleef bij bijvoorbeeld het havo/vwo. Inmiddels was men tot het inzicht gekomen dat het nuttig zou zijn mondiale vorming te combineren met en liefst te integreren in aspecten van intercultureel onderwijs, en dan dus specifiek voor het lbo. Dit uitgangspunt is geëffectueerd door zoveel mogelijk gebruik te maken van teksten uit andere landen. Zonder dat de gebruikte verhalen strikt thematisch of strikt landgebonden zijn, wil men het op deze manier mogelijk maken positieve èn negatieve aspecten van deze landen aan de orde te laten komen en een te eenzijdige westerse blik op de zaken te voorkomen. Door ook teksten te gebruiken uit landen die niet of nauwelijks vertegenwoordigd zijn in Nederlandse scholen, voorkomt men dat het steeds weer dezelfde, bijvoorbeeld Turkse of Marokkaanse, leerlingen zijn die zich aangesproken moeten voelen, terwijl er toch onderwerpen behandeld kunnen worden waar deze leerlingen zich mee kunnen identificeren. Volgens de samenstellers sluiten de verhalen beter aan bij de beleving van leerlingen uit etnische minderheidsgroepen dan traditioneel leesmateriaal.
De teksten die in de boekjes staan, zijn bijna allemaal speciaal voor dit doel geschreven. Aanvankelijk heeft men gezocht naar allochtone auteurs in Nederland, maar die waren moeilijk te vinden. Via omwegen heeft men er toch enkele weten te achterhalen. Een aantal teksten is door Nederlandse auteurs geschreven, waaronder Jacinta, verhalen uit Peru. De teksten voor het laatste boekje, Crossroads, daarentegen zijn bestaande teksten afkomstig uit Zuid-Afrika. De verhalen die uiteindelijk gekozen werden om gebruikt te worden, zijn eerst aan leraren voorge-
4